Dag 10 – Goed verhaal. Lekker kort ook (Zuberec/Partizánska L’upča, SK)

In dat boekje van ons huisje stond nog een tip: het Orava Village Museum. Een openluchtmuseum van huizen uit de Oravaregio. Dit museum ligt in Zuberec, wat echt een prachtige omgeving is. Huizen uit de Oravaregio zijn ontmanteld en weer opgebouwd op deze plek. Openluchtmusea zijn fascinerend. Ze geven een inkijkje in een samenleving die nu niet meer bestaat. Het Arnhems openluchtmuseum? De jaren 50 bellen, ze willen hun Hollandse snoep terug. Het Pyrohovo laat een verenigd en divers Oekraïne zonder interne taal- en culturele strubbelingen zien. In Helsinki was Karelië weer Fins. En ik ben blij dat Ellert en Brammert in Drenthe niet meer in die tochtige plaggenhutten leven. Afijn, u heeft vast de strekking begrepen.

Nu wil het geval dat de grenzen ten oosten van Berlijn wat mobieler zijn dan we in het westen van Europa gewend zijn. De Balkan, Centraal-Europa, de Baltische staten, Oekraïne: al deze landen zijn keer op keer verdeeld, heringedeeld, onafhankelijk geweest, weer bezet, verschoven. Inmiddels durf ik niet meer te zeggen dat nationaliteit hier een vaststaand gegeven is. Identiteit is echter door de geschiedenis juist heel bepalend geworden.

En wat is een betere plek dan een openluchtmuseum om die identiteit onder het voetlicht te brengen? Precies: dus zie je in de openluchtmusea hier veel nadruk op de mensen die de cultuur hebben helpen ontwikkelen, veel nadruk op de geschiedenis van kleding en typische bouwstijlen en andere vernuftige bouwkundige en agrarische elementen. Die je vervolgens zowel in Zuberec “typisch Slowaaks”, als in Kiyv “typisch Oekraïens”, en in Helsinki “typisch proto-Scandinavisch en daardoor typisch Fins” terugziet.

En natuurlijk heb ik dan geen oog voor de details waarin je wel degelijk een eigen cultuur kunt herkennen en doe ik een cultuur af aan de hand van overeenkomsten. Maar het blijft voor ons als twee veel te nuchtere Nederlanders bijzonder om te zien hoe trots mensen zijn op hun heritage en hoeveel ijver er aan de dag gelegd wordt om de ontstaansgeschiedenis te ontrafelen en te onderhouden. En de geschiedenis van dit deel van Europa heeft mensen er denk ik ook toe aangezet om zich bewust te zijn van hun cultuur en afkomst. Als je toevallig aan de ene kant van de berg woont, heeft dat gewoon ook veel impact gehad op hoeveel landen je in de vorige eeuw hebt gezien zonder te verhuizen.

En dat brengt me bij de plaats die de komende week onze uitvalsbasis zal zijn: een dorp met de fameuze naam Partizánska L’upča. Zonder Slowaaks te kunnen, kan iedereen wel raden dat de geschiedenis ook hier tumultueus is geweest. De naam voor 1945 was trouwens Nemecká L’upča. Iedereen die wel iets van een Slavische taal beheerst, moet nu helemaal getriggerd zijn, want nemec- betekent in ongeveer elke Slavische taal Duits-. En als een dorp van Duits L’upča naar Partizanen L’upča wordt hernoemd, is er iets aan de hand.

Hier volgt een samenvatting van de Wikipediafuik waar ik in belandde. Alles voorbij de Oder is, of was, etnisch/cultureel gezien een mozaïek. Overal woonden plukjes Duitsers, Polen, Slowaken, Oekraïeners, Hongaren en Lemko (onthoudt die laatste naam). Het dorp waar wij nu zitten werd in meerderheid bewoond door Duitsers. In de Tweede Wereldoorlog was Slowakije in eerste instantie niet bezet door de Duitsers omdat het Slowaakse regime met de Nazi’s samenwerkte. Toen een hoge Nazi werd doodgeschoten in 1944 was dat de aanleiding voor de Duitsers om Slowakije wel te bezetten. Om dat te voorkomen (dit is echt de mand-versie van een veel complexer verhaal), kwamen de Slowaakse partizanen in opstand. Dit werd na de Opstand van Warschau die min of meer gelijktijdig plaatsvond de grootste opstand tegen de Nazi’s gedurende de Tweede Wereldoorlog. De Slowaken delfden uiteindelijk wel het onderspit en veel partizanen zijn daarbij omgekomen. Tijdens de oorlog werd de Duitse bevolking in Slowakije al dan niet geronseld door de Nazi’s dan wel tijdens de Opstand door de Slowaken aangevallen. In reactie daarop werd een deel van die Duitse bevolking al tijdens de oorlog ‘geëvacueerd’. Na de oorlog werden uit veel meer landen dan alleen Slowakije Duitsers die daar al eeuwen woonden verbannen.

Het L’upča met een Duits voorvoegsel was niet alleen pijnlijk voor de Slowaakse bevolking. De Duitse bevolking die daar ooit de meerderheid was, woonde er niet meer en de streek had een belangrijke rol gespeeld in de Opstand. Daarom werd de naam gewijzigd als eerbetoon aan de partizanen.

Wat had Lemko hier dan mee te maken? In 2021 waren we ook al eens in Slowakije. In Sečovce woonde een meneer wiens geschiedenis verbonden was met de Grieks-Orthodoxe kerk. Al die jaren heb ik me afgevraagd wat Grieks-Orthodoxe mensen in hemelsnaam te zoeken hadden in de Karpaten. Het blijkt dat niet alleen Slowaken in opstand kwamen in 1944. Eigenlijk elk volk wat hier leefde vocht mee. Dus ook de Lemko. En toen na de oorlog de Duitsers naar Duitsland moesten en de Polen naar Polen, werden ook de Lemko gedwongen verplaatst. Lemko, een Slavisch volk dat ietsjes bekender is onder de naam Karpatenroethenen, die om de een of andere reden Grieks-Orthodox dan wel Grieks katholiek zijn (afhankelijk van of je voorouders vóór het Verdrag van Brest waren of niet). De meneer die we in 2021 spraken was zeer waarschijnlijk een van de weinige Karpatenroethenen die vandaag de dag nog woont op de plek waar zij al eeuwen wonen.

En laat in het openluchtmuseum in Zuberec morgen een folklorefestival beginnen. Drie dagen lang komen allerlei mensen bijeen om hun tradities en culturen te laten zien op een groot podium. Mensen uit de regio van Poprad komen ook. En laten daar nu nog steeds Lemko wonen.

Geschiedenis is nooit weg: ze is springlevend.

Dag 9 – Kruistocht (Klin, SK)

In het huisje waar we zitten ligt een boekje met de belangrijkste informatie. Hoe laat je moet uitchecken, welke dokter je moet bellen wanneer er een medisch noodgeval is en de meest interessante bezienswaardigheden uit de omgeving. Daar stond met ronkende zinnen een verhaal over Rio de Klin. U leest het goed: Rio de Klin. Deze naam is net zo Slavisch als die klinkt en is inderdaad schaamteloos geïnspireerd door het beroemdere broertje. Nu zitten wij ook aan het water, maar dat is zeker geen Atlantische Oceaan. Zelfs voor het stuwmeer dat het is zou het nog iets beter zijn best mogen doen.

Nee, Klin met zijn ongeveer 3000 inwoners voelt zich innig verbonden met de wereldstad Rio de Janeiro omdat er op een van de heuvels rondom het dorp een tandpastareclame-wit Christusbeeld staat. Het is zeker imposant als je ervoor staat, maar de beeltenis van onze Lieve Heer is in vergelijking met zijn Braziliaanse evenknie gereduceerd tot dwergachtige proporties.

En toch, het boekje in ons huisje raadt het aan om het te bezoeken, onze tijdelijke Slowaakse buren proberen ons ervan te overtuigen in hun beste Engels dat Rio de Klin echt de moeite waard is (“Best trip ever, we will visit it for the first time today”) en als klap op de vuurpijl de enige Nederlander die we in deze uithoek tegenkomen (“ik ben hier voor werk en ik woon in Weert”) geeft aan dat we toch niet weg kunnen gaan zonder langs Rio de Klin langs te gaan.

Dus we zijn gezwicht voor de toeristenlokker die niet te vermijden is, die omgeven is met een zweem van “goed geprobeerd, maar jammer joh” en daarom ons grote wantrouwen geniet: we zijn naar Rio de Klin geweest. We hadden wel afgesproken dat we zo ver mogelijk door zouden rijden met Szusza, want als we dan toch hiervoor vielen, dan ook maar goed fout.

We kwamen aan op wat leek de parkeerplaats voor het laatste wandelpad begon. De weg van het wandelpad was echter geasfalteerd en leek Szusza-proof. Dus we wilden doorrijden tot we wandelaars zagen. Hmm, toch maar niet en braaf parkeren. De parkeervlakte (want dat doet de plek betere eer aan) was van gravel met kuilen. Het wandelpad de eerste paar meter ook. Totdat we de bocht om waren.

Voor de context: we zitten in het noordelijkste puntje van Slowakije, in de Tatra. Een uithoek dus. Iedereen die erachter komt dat wij Nederlands zijn, vraagt of we hier zijn vanwege familie, want toeristen die hier vrijwillig komen en blijven zijn niet raar maar heeeeeeel bijzonder. Een aantal dorpen in de omgeving zien eruit alsof hun gloriedagen zelfs niet onder het communisme zijn begonnen en de Tatra zelf zorgt ook niet voor een heel gepolijste omgeving.

Maar op de weg naar Rio de Klin ligt een wandelpad van 600 meter met een gemiddeld hellingspercentage van 17% en dat is niet alleen maagdelijk geasfalteerd (hoewel een kat of een hond heeft geprobeerd dit te verpesten), maar er ligt een betonnen gootje naast en daar weer naast zijn vrijwilligers onkruid aan het wieden en plantjes aan het planten in een orde en precisie waar ik blij van word. Trump en iedereen die golft zou jaloers zijn op het megastrakke gras en kun je een soort bedevaart doen langs niet alleen de kruisweg van Christus, maar ook die van Maria.

En als je eenmaal boven bent, vind je er – naast nog een parkeerplaats – een kapel met een krans beelden van andere heiligen (met uiteraard die van de paus Johannes Paulus II die als enige recht tegenover het Christusbeeld staat in een intens devote houding). Er wordt alleen een euro per persoon gevraagd, zodat “we het hier nog mooier kunnen maken”. Waar zijn we beland? Ik ben nog nooit in Brazilië geweest, maar ik kan me toch niet voorstellen dat de echte Rio hieraan kan tippen.

En wat doet de gemiddelde Slowaak als je de top hebt bereikt? Als je vrouw bent, bid je in de kapel, als je man bent ga je aan de rand van het plateau staan en maak je selfies met het Christusbeeld, kinderen voetballen aan de voet van de Verlosser. En daarna ga je picknicken op die grasmat. Dit is natuurlijk je kans om waarschijnlijk insectvrij en moddervrij je zoete Marlenka op te eten.

En wij? Wij voelden bij het naar beneden lopen onze bovenbenen en spijt dat we niet waren doorgereden.

Dag 8 – Krotik en het koffiemuseum (Krušetnica, SK)

Eén van de bezienswaardigheden in de regio is het koffiemuseum. We gingen erheen nadat Krotik besloot dat hij twee derde van zijn spaghetti bolognese genoeg vond. De wettelijke echtgenote bleef thuis, voelde zich niet zo lekker en heeft, zacht uitgedrukt, niet zoveel met koffie. Wij, de pappa en Krotik, gingen op pad.

Bij aankomst was niet helemaal duidelijk of we het linkergebouw of het rechtergebouw moesten hebben. Er was één open deur, dus we kozen die. Bleek het café te zijn. Daar kon je een kaartje kopen voor het museum, dat dus in het andere gebouw zat. Dat is eigenlijk ook wat het museum is: een koffietent met een verzameling koffieapparaten in een ander gebouw.

We werden begroet door een gids, die vroeg of we voor of na het bezoek een toelichting wilden. Nog voordat we iets zeiden, stelde ze voor om het maar gewoon meteen te doen. Dat bleek ook achteraf de juiste keuze, want zonder uitleg waren we waarschijnlijk na drie minuten weer buiten geweest.

Ze vertelde aan de hand van een mozaïek van koffiebonen, het veronderstelde grootste mozaïek van koffiebonen ter wereld, over de oorsprong van koffie: geiten die energiek werden van het eten van een bepaalde plant, een herder die het opviel, dat verhaal. Honderden jaren werd koffie vervolgens weinig gebruikt, omdat mensen het associeerden met iets duisters en magisch. Pappa zei dat koffie gewoon drugs is zoals alle andere, psychoactief. Toen hij daarachteraan zei dat Krotik er ook graag van dronk, verdween de gids. Ze pakte het pas later weer op alsof het niet was gebeurd en zei dat als Krotik groot was hij vast pappa’s koffiemaatje zou worden.

Toen zowel Krotik als de pappa al snel zagen dat er niet heel veel te zien, te lezen of te leren was, dribbelde Krotik lachend en schaterend een rondje langs de op functie gesorteerde en uitgestalde artefacten (oude meuk danwel apparaten). Waarschijnlijk had hij door dat dit het hoogtepunt was. We traden op de schreden van de pappa weer naar beneden, alwaar de gids ons opwachtte. Hier kwamen we in het domein van de verschillende koffiezetapparaten.

Ze wees op de koffiemachines. De pappa vraagt of ze ook de fameuze Technivorm Moccamaster kennen danwel hebben. Neen. De gids deed ook enigszins laatdunkend over filterkoffie. Of ze Douwe Egberts kenden? Neen. Maar toen pappa een molen aanwees met het D.E.-logo, knikte ze: “Heel beroemd merk.” We babbelden nog wat verder over Arabische koffie met de overdaad aan suiker en de bekende drab onderin.

Loïc was inmiddels afgehaakt en op zijn vingers aan het sabbelen, waarop de gids verbaasd concludeerde dat het toch wel een heel rustig mannetje was. Ze maakte meestal mee dat kinderen schreeuwend of huilend door het museum werden gezeuld.

Er werd gevraagd of we ook al in het andere gebouw boven waren geweest. Ja. Daar waren we even gaan kijken nadat we een ticket hadden gescoord. Hier stonden vooral antieke kassa’s, wat de pappa niet direct met een koffiemuseum had geassocieerd. Maar goed. Waarom, was niet helemaal duidelijk, maar misschien was de eigenaar inderdaad een verzamelaar. Het museum voelde sowieso meer als het project van een hoarder met een duidelijke voorkeur voor koffie dan als een gecureerde tentoonstelling.

Enigzins teleurgesteld gingen we dan maar terug naar het café voor een bakkie troost. Zoals de mamma van de pappa altijd zegt: koffie geeft moed. Krotik kreeg met een excuserend gebaar een houten puzzel met koffiezetapparaten waarvan hij meerdere stukjes tegelijkertijd in zijn mondje probeerde te proppen. De pappa vroeg om de sterkste en zwartste koffie die ze hadden. Het werd een kop Chemex, met koffie uit Honduras. Hoewel de naam van het apparaat waarmee je het zet anders suggereerde: het was slappe hap. Misschien lag het aan de maling. Misschien aan de dag.

Krotik vroeg om een fles, we zijn maar gegaan.

Dag 7 – To the moon and back (Oravský Podzámok, SK)

Omdat het gisteren nog steeds flink regende en het huisje toch wel erg gezellig wordt met twee volwassenen en een kind met ernstige kruipdrift, besloten we vandaag de regen te trotseren en naar een kasteel in de buurt te gaan.

We hebben inmiddels wel wat kastelen bezocht, maar dit kasteel verdient toch wel een plekje ergens hoog in de top (pun not intended). Mocht je ooit in de buurt komen: het Oravakasteel is een absolute aanrader. Het is groot, goed onderhouden, nog behoorlijk gaaf en de natuur eromheen is prachtig!

Het kasteel ligt aan de oever van de Oravarivier en we zitten in de Tatra. Dat betekent dat de oevers hier wat spectaculairder zijn dan die van zeg maar de Dordtse Kil. Op een hoge natuurlijke rots staat al eeuwen iets wat uiteindelijk doorgeëvolueerd is tot het bouwwerk van vandaag.

Je begint echter wel op oeverniveau, dus dat werd een beste klim naar boven. En omdat we die al voorzien hadden, hadden we de wandelwagen bij het huisje gelaten. We dachten alleen wel dat de draagzak in de auto zou liggen. En dat lag hij toch niet…

De klim naar boven naar de echte ingang werd een workout met ballast van bijna 9 kilo en die 9 kilo beweegt en vond alles maar machtig interessant, dus zat ook echt actief rond te kijken en vast te grijpen. Mensen waren vroeger kleiner en het kasteel zelf heeft ook flink wat trappen, dus op de schouders was ook geen optie. Dus een van ons twee heeft morgen flink spierpijn in de bovenarmen, de ander in de bovenbenen, want nog steeds ongetraind.

In het kasteel bevonden zich de onvermijdelijke ridderzaal en kapel, een hoop houten meubels, harnassen, zwaarden en kanonnen en iets wat ons vooral in kastelen ten oosten van Berlijn opvalt: behoorlijk wat aandacht voor de nationale geschiedenis en cultuur – en niet per se van het huidige pand waar het kasteel zich in bevindt. Hongarije heeft in het verleden in best wat landen de dienst uitgemaakt, dus in Oekraïne zagen we al een goede dosis Hongaarse trots in het Palanokkasteel tentoongesteld. Dit werd iets subtieler, maar toch niet te ontkennen overgedaan in het Corvinkasteel. En in ons vooronderzoek lazen we dat dezelfde Corvinus van het laatstgenoemde kasteel ook het een en ander had gebouwd aan dit kasteel, dus we maakten ons op voor Hongaarse vlaggen en ronkende verhalen over de grote staatsman, de Hongaarse Julius Caesar en voorloper van Napoleon: Corvinus met de Hongaarse driekleur.

Het werd de Slowaakse vlag en een paar zalen gewijd aan Slowaakse cultuur en nijverheid. Hongarije werd zeker genoemd, maar meer als geschiedkundig feit dan de verheerlijking die we op eerdere plekken zagen.

Verder is het kasteel zo groot dat er nog genoeg ruimte was voor de prehistorische vondsten op de rots, een expositie met schilderijen van allemaal Slowaakse vrouwen (ik bedoel: je moet toch met een nationaliteit het quotum vaderlandsliefde-in-een-kasteel vervullen) en een paar zalen vol met opgezette lokale en inheemse dieren.

Het was inmiddels een paar minuten na sluitingstijd en subtiel werd ons gevraagd of we al klaar waren met bezichtigen. Onze kleine man werd na de zoveelste trap ook steeds rustiger, totdat er een koalabeertje tegen ons aangeplakt zat. In de auto terug hoorden we alle indrukken terug van de achterbank. De regen is inmiddels redelijk gestopt.

Dag 5 – Bliksembezoek (Zakopane, PL)

In 2016 waren we (onder andere) in Krakau. De gids die ons daar rondleider, gaf ons toen de tip om naar Zakopane te gaan. En daar gingen we. Zakopane is een soort skidorp alleen dan in Centraal/Oost-Europese stijl. Er is een kabelbaan, uitzicht op de machtige Beskidenbergen en je kunt er ook in de zomer winterthee krijgen.

Nu wil het geval dat er dit weekend in 2025 veel regen is voorspeld in de Alpen. We zitten niet in de Alpen, maar als je uitzoomt en met je ogen knijpt, dan zitten we toch in de buurt en voor een flink lagedrukgebied is de afstand natuurlijk helemaal peanuts. Dus ook bij ons is de buienradarkaart een grote rode vlek en waarschuwt de Slowaakse KNMI voor meer dan 55ml regen.

Beste idee ever: we gaan naar Zakopane, een uurtje verderop. Het ligt aan de andere kant van de Beskidenbergen waar wij tegenaan kijken. De kans is aanwezig dat het daar minder heftig is en als het toch heftig wordt, kunnen we beter in een gebied zijn waar toch al veel mensen en middelen zijn.

Zakopane 9 jaar later. Weer een grijze lucht, de houten letters staan er nog steeds. De skidorphuisjes zijn er ook nog steeds, maar nu met kitschuitbreiding. En nog een klein verschil: Zakopane is een paar keer viral gegaan op de social media, omdat het de goedkope variant lijkt van de pittoreske skidorpjes uit de echte Alpen. Kortom, we waren niet de enigen die naar Zakopane kwamen. Wel heel fijn: het is nog steeds gratis parkeren op zaterdag en zondag… (De boete bij niet betalen zou overigens ook maar 25 euro zijn en daar had je in Amsterdam net twee uur legaal voor langs de straat kunnen staan)

Door de drukte baanden we ons een weg, ons steeds meer en meer afvragend wat we hier eigenlijk kwamen doen. Op een fout terras met nog foutere muziek besloten we toch maar wat te bestellen. Daar kregen we van de Poolse autoriteiten het volgende berichtje:

Tot zover ons goede idee. En toen barstte het onweer met de moesson ook in Zakopane los…

We zijn nooit in de buurt van echte wateroverlast zoals in de Alpen gekomen, maar het was wel indrukwekkend. Krotik deerde het allemaal niets. Kruipen in de plassen is het leukste wat je kunt doen en koude, natte rompers bestaan niet.

Dag 4 – Babyboswandeling (Podbiel, SK)

Trouwe lezers van dit blog weten dat we – geheel onkarakteristiek, maar inmiddels – traditiegetrouw een boswandeling maken. Memorabel was de boswandeling uit 2021 in de Karpaten waar we met een lokale jongen door de bossen naar een grot gingen en deze gids vrij nonchalant opmerkte dat er vlak voor ons nog een paar beren waren langsgelopen en dat er een paar weken terug nog een jongen met een schooltas aangevallen was door een beer. Het bospad noemde de ervaren jongen zelf al ‘extreem’, maar wij Nederlanders die een hellingsgraad van hooguit een paar procent gewend zijn zouden dit samen met hem wel in twee uur kunnen lopen. Dat hebben we geweten…

En sindsdien meten we elke boswandeling af aan dat avontuur. Theth, San Boldo, we hebben inmiddels wel wat interessante dingen gezien. Dus waarom dan nu niet met een baby?

Als plaats delict hadden we een waterval uitgekozen. De waterval bevindt zich aan de andere kant van de berg waar wij tegenaan geplakt zitten. Dus gingen we met de auto op pad. Aangezien de conditie van een van ons nog niet op peil is, had die dame in kwestie expres haar wandelschoenen thuisgelaten, zodat ze ‘geen domme dingen kan doen, die nu nog niet gaan’. De reviews op Google Maps waren in het Slowaaks, maar eentje had verdacht veel hartjes gekregen, dus die bestudeerden we maar even extra goed. Dat is onze redding geweest, want daar stond een uitgebreide beschrijving van de route en de beste parkeerplaats.

De navigatie had ons namelijk eigenlijk aan de overkant van de rivier bedacht en dan hadden we met enige fantasie misschien de waterval kunnen zien of horen, maar dan hadden we er niet gekomen. De review vertelde ons echter dat we de rivier moesten oversteken en dan zo ver mogelijk door moesten rijden tot aan het bordje ‘waterval, 5 minuten’.

Tot zover doorrijden lukte niet, maar we kwamen toch aardig in de buurt. De wandeling die resteerde was niet meer angstaanjagend. We stapten uit de auto, Krotik ging in de draagzak, we stonden klaar om te vertrekken en toen kwamen er twee Slowaakse mensen naar beneden gewandeld. Of we naar de waterval gingen. “Natuurlijk!” “Dan ga je het niet redden met die schoenen.”

*insert mwa mwa mwa-muziekje*

Wat nu? De topografische kaart zei dat er niet veel hoogtemeters waren en dat die redelijk gespreid zaten. Het pad zag er naar onze mening (en ervaring) best goed uit. In ieder geval beter dan in Theth en daar gingen mensen op hun teenslippers naar boven. Toch maar erop wagen. En daar gingen we vol goede moed.

Een klein detail: het had geregend en het pad was gewoon een platgetrapt olifantenpaadje. Het ging zonder wandelschoenen, maar we moeten de meest fashionable wandelaars in de wijde omgeving en de complete Tatra zijn geweest.

Niet veel later kwamen we bij de waterval. De andere Slowaakse review die ons waarschuwde dat de waterval droog stond, kreeg ongelijk. Krotik wilde vooral slapen en vond het maar een hoop lawaai en wij hebben de eerste boswandeling er weer opzitten 💪

Dag 3 – Acclimatiseren (Námestovo, SK)

We zitten in een huisje met een zwembad en een speeltuintoestel. Zo’n ding met een klimwand, glijbaan, huisje en twee schommels. Op dit moment vindt Krotik het balkon meer dan prima, want zo’n grote box heeft hij thuis niet en de tegels voelen lekker warm aan doordat ze door de zon opgewarmd zijn.

We besluiten toch het zwembad uit te proberen. Het water zou rond de dertig graden moeten zijn, het bad ligt in de schaduw en we hebben per slot van rekening toch niet voor niets de zwemkleding meegenomen. De pater famolias gaat eerst en daarna komt het manneke in vol ornaat uitgedost met zwembroek, zwemshirt en zwemband. Ook al is het water dertig graden en heb je negen maanden in warm water baantjes getrokken (en deze man deed dat echt fanatiek). Niets kan je voorbereiden op wat er komen gaat, de volledige afgelopen zeven maanden flitsten voorbij, de achtbaan aan babyemoties kwam langs, we maakten ons klaar voor een hoop gemopper, en toen…

Grote ogen en een open mond. Verbazing over het drijven, verbazing dat hij door zijn band niet bij het water kon, verbazing over zijn eigen boeggolf, verbazing over waar pappa bleef als hij naar beneden ging, verbazing over waarom je de schuimrubberen zwembuis niet kunt opeten, verbazing over spetters die in je gezicht komen wanneer je toch op het water slaat. En toen was het klaar.

Gelukkig was er nog een babyschommel, het eerste boventandje, de koelkastdeur, en ook nog pappa’s overhemd, de Slowaakse kassamevrouw, de wielen van de wandelwagen, de Slowaakse tijdschriften om kapot te scheuren… Genoeg om nog te ontdekken

Dag 2 – Verwondering (Námestovo, SK)

1200 kilometer rijden met een baby. Dat klinkt als een van de twaalf werken van Herakles. Maar zelfs de luiers komen niet in de buurt van de Augiasstal. Het ging goed! Heel goed zelfs. Beter dan verwacht. De tussenstops zijn wat langer dan verwacht, maar zolang het speelgoed in volgorde van entertainmentniveau binnen handbereik ligt, kunnen we gewoon doorrijden. Alleen de zon is irritant en warm en niet te vermijden wanneer je wegkijkt en fel en vooral vervelend wanneer je je allerlaatste middagdutje graag wil slapen. Gelukkig hoefden we toen nog maar een uurtje te rijden…

De tussenstop in Wroclaw herkenden we nog van najaar 2023. Toen zaten we met een goede reden om tien uur ‘s morgens bij de MacDonalds voor wat hamburgers na vijf uur rijden. Nu zaten we er voor een lunch en het rekken en strekken van ons jongste meneertje. Veel mensen ten oosten van Berlijn zijn in het openbaar wat stugger. Een baby doet echter wonderen. De kleine kapitein liet minimaal drie Poolse babunia’s smelten en zelfs een norse man begon met zijn bril te spelen en geluidjes te maken om Krotiks aandacht te trekken. De Slowaakse Hells Angels die nu onze tijdelijke buren zijn? Die zijn echt niet zo stoer wanneer het manneke weer langs geschoolslagd komt.

Het meest spannende van vandaag was misschien de niet bestaande afslag naar een tankstation die we namen. Hier liepen we weer eens tegen het feit aan dat de kaart en de werkelijkheid lang niet altijd overeenkomen. Gelukkig is de snelweg in Polen verder redelijk overzichtelijk en niet al te druk…

De wegen zitten hier sowieso vol verrassingen. Ergens aan de Poolse A4 staat een “Hollandse” molen (dat tussen aanhalingstekens is echt de Poolse naam). Nu is het niet meer dan een ruïne, maar in de negentiende eeuw hebben er twee molens naar Nederlandse architectuur in Polen gestaan. Eentje ervan is vrij goed langs te snelweg te zien. Voor de dapperen onder ons: op deze Poolse site is wat meer te vinden en staan foto’s.

Inmiddels zijn we aangekomen op onze eerste echte bestemming. De Autobahn en de oude Poolse tolpoortjes hebben plaatsgemaakt voor slingerende weggetjes met lintbebouwing die tegen de hellingen aangeplakt zit. Kinderen zwaaien hier weer naar auto’s, de weg delen we weer met fietsers, de lokale bevolking die te voet gaat en de onvermijdelijke wielrenners die de memo hebben gemist dat de Tour de France dit jaar in Frankrijk plaatsvindt. De velden zijn bossen, de rechte rivieren van Duitsland zijn kronkelende bergbeekjes geworden. We kijken uit op een stuwmeer en de Tatra. De gastvrouw heeft enorm haar best gedaan op het kinderbedje, de Slowaakse kinderboekjes en het kinderspeelgoed, maar Krotik ontdekt ondertussen het droogrek en de terrastegels. De vakantie kan beginnen.

Dag 1 – And so it began… (A50, NL)

Er zijn van die avonturen waarvan je de consequenties nog niet helemaal kunt overzien als je eraan begint. Dit is er zo eentje. Waar we vorig jaar nog convoi exceptionnel waren, voelen we ons nu Brinks Waardetransport. Het doel is dit jaar de Tatra. Bergen, oostelijker dan Berlijn, Slavische talen, wel een stuk rijden maar niet te ver weg. Er is namelijk dit keer een onvoorspelbare factor mee: ons Krotik.

Katwijk doet-ie goed, op sleeptouw met pappa mee het halve land door is ook geen probleem. 1200 kilometer rijden? Geen idee. De auto is tactisch ingepakt. Het eten is binnen handbereik, speelgoed dripfeeden we zodat de verveling niet al te hard kan toeslaan, het manneke is uitgeslapen en opgewekt, de tijdsplanning is zo, dat hij als het goed is een flink deel van de reis lekker tukt. Met goede moed en lichte huiver gaan we beginnen.

Dat beginnen had wel wat voeten in de aarde. Niet omdat er meer spullen meegaan en op vakantie gaan met z’n drieën gelijk staat aan de Grote Volksverhuizing die het einde van Rome inluidde, maar omdat we inmiddels gezelschap hebben van gevogelte en we zeer onvrijwillig opvang bieden aan ongewenste goudvissen die gekruisd lijken te zijn met hamerhaaien (hier hoeven we geen lintje voor). Gelukkig hebben we hele lieve buren en inmiddels een kippencam – geen grap.

Thuis laten we met een gerust hart achter. Op de achterbank wordt het alfabet geoefend.