Dag 10 – Goed verhaal. Lekker kort ook (Zuberec/Partizánska L’upča, SK)

In dat boekje van ons huisje stond nog een tip: het Orava Village Museum. Een openluchtmuseum van huizen uit de Oravaregio. Dit museum ligt in Zuberec, wat echt een prachtige omgeving is. Huizen uit de Oravaregio zijn ontmanteld en weer opgebouwd op deze plek. Openluchtmusea zijn fascinerend. Ze geven een inkijkje in een samenleving die nu niet meer bestaat. Het Arnhems openluchtmuseum? De jaren 50 bellen, ze willen hun Hollandse snoep terug. Het Pyrohovo laat een verenigd en divers Oekraïne zonder interne taal- en culturele strubbelingen zien. In Helsinki was Karelië weer Fins. En ik ben blij dat Ellert en Brammert in Drenthe niet meer in die tochtige plaggenhutten leven. Afijn, u heeft vast de strekking begrepen.

Nu wil het geval dat de grenzen ten oosten van Berlijn wat mobieler zijn dan we in het westen van Europa gewend zijn. De Balkan, Centraal-Europa, de Baltische staten, Oekraïne: al deze landen zijn keer op keer verdeeld, heringedeeld, onafhankelijk geweest, weer bezet, verschoven. Inmiddels durf ik niet meer te zeggen dat nationaliteit hier een vaststaand gegeven is. Identiteit is echter door de geschiedenis juist heel bepalend geworden.

En wat is een betere plek dan een openluchtmuseum om die identiteit onder het voetlicht te brengen? Precies: dus zie je in de openluchtmusea hier veel nadruk op de mensen die de cultuur hebben helpen ontwikkelen, veel nadruk op de geschiedenis van kleding en typische bouwstijlen en andere vernuftige bouwkundige en agrarische elementen. Die je vervolgens zowel in Zuberec “typisch Slowaaks”, als in Kiyv “typisch Oekraïens”, en in Helsinki “typisch proto-Scandinavisch en daardoor typisch Fins” terugziet.

En natuurlijk heb ik dan geen oog voor de details waarin je wel degelijk een eigen cultuur kunt herkennen en doe ik een cultuur af aan de hand van overeenkomsten. Maar het blijft voor ons als twee veel te nuchtere Nederlanders bijzonder om te zien hoe trots mensen zijn op hun heritage en hoeveel ijver er aan de dag gelegd wordt om de ontstaansgeschiedenis te ontrafelen en te onderhouden. En de geschiedenis van dit deel van Europa heeft mensen er denk ik ook toe aangezet om zich bewust te zijn van hun cultuur en afkomst. Als je toevallig aan de ene kant van de berg woont, heeft dat gewoon ook veel impact gehad op hoeveel landen je in de vorige eeuw hebt gezien zonder te verhuizen.

En dat brengt me bij de plaats die de komende week onze uitvalsbasis zal zijn: een dorp met de fameuze naam Partizánska L’upča. Zonder Slowaaks te kunnen, kan iedereen wel raden dat de geschiedenis ook hier tumultueus is geweest. De naam voor 1945 was trouwens Nemecká L’upča. Iedereen die wel iets van een Slavische taal beheerst, moet nu helemaal getriggerd zijn, want nemec- betekent in ongeveer elke Slavische taal Duits-. En als een dorp van Duits L’upča naar Partizanen L’upča wordt hernoemd, is er iets aan de hand.

Hier volgt een samenvatting van de Wikipediafuik waar ik in belandde. Alles voorbij de Oder is, of was, etnisch/cultureel gezien een mozaïek. Overal woonden plukjes Duitsers, Polen, Slowaken, Oekraïeners, Hongaren en Lemko (onthoudt die laatste naam). Het dorp waar wij nu zitten werd in meerderheid bewoond door Duitsers. In de Tweede Wereldoorlog was Slowakije in eerste instantie niet bezet door de Duitsers omdat het Slowaakse regime met de Nazi’s samenwerkte. Toen een hoge Nazi werd doodgeschoten in 1944 was dat de aanleiding voor de Duitsers om Slowakije wel te bezetten. Om dat te voorkomen (dit is echt de mand-versie van een veel complexer verhaal), kwamen de Slowaakse partizanen in opstand. Dit werd na de Opstand van Warschau die min of meer gelijktijdig plaatsvond de grootste opstand tegen de Nazi’s gedurende de Tweede Wereldoorlog. De Slowaken delfden uiteindelijk wel het onderspit en veel partizanen zijn daarbij omgekomen. Tijdens de oorlog werd de Duitse bevolking in Slowakije al dan niet geronseld door de Nazi’s dan wel tijdens de Opstand door de Slowaken aangevallen. In reactie daarop werd een deel van die Duitse bevolking al tijdens de oorlog ‘geëvacueerd’. Na de oorlog werden uit veel meer landen dan alleen Slowakije Duitsers die daar al eeuwen woonden verbannen.

Het L’upča met een Duits voorvoegsel was niet alleen pijnlijk voor de Slowaakse bevolking. De Duitse bevolking die daar ooit de meerderheid was, woonde er niet meer en de streek had een belangrijke rol gespeeld in de Opstand. Daarom werd de naam gewijzigd als eerbetoon aan de partizanen.

Wat had Lemko hier dan mee te maken? In 2021 waren we ook al eens in Slowakije. In Sečovce woonde een meneer wiens geschiedenis verbonden was met de Grieks-Orthodoxe kerk. Al die jaren heb ik me afgevraagd wat Grieks-Orthodoxe mensen in hemelsnaam te zoeken hadden in de Karpaten. Het blijkt dat niet alleen Slowaken in opstand kwamen in 1944. Eigenlijk elk volk wat hier leefde vocht mee. Dus ook de Lemko. En toen na de oorlog de Duitsers naar Duitsland moesten en de Polen naar Polen, werden ook de Lemko gedwongen verplaatst. Lemko, een Slavisch volk dat ietsjes bekender is onder de naam Karpatenroethenen, die om de een of andere reden Grieks-Orthodox dan wel Grieks katholiek zijn (afhankelijk van of je voorouders vóór het Verdrag van Brest waren of niet). De meneer die we in 2021 spraken was zeer waarschijnlijk een van de weinige Karpatenroethenen die vandaag de dag nog woont op de plek waar zij al eeuwen wonen.

En laat in het openluchtmuseum in Zuberec morgen een folklorefestival beginnen. Drie dagen lang komen allerlei mensen bijeen om hun tradities en culturen te laten zien op een groot podium. Mensen uit de regio van Poprad komen ook. En laten daar nu nog steeds Lemko wonen.

Geschiedenis is nooit weg: ze is springlevend.

Dag 9 – Kruistocht (Klin, SK)

In het huisje waar we zitten ligt een boekje met de belangrijkste informatie. Hoe laat je moet uitchecken, welke dokter je moet bellen wanneer er een medisch noodgeval is en de meest interessante bezienswaardigheden uit de omgeving. Daar stond met ronkende zinnen een verhaal over Rio de Klin. U leest het goed: Rio de Klin. Deze naam is net zo Slavisch als die klinkt en is inderdaad schaamteloos geïnspireerd door het beroemdere broertje. Nu zitten wij ook aan het water, maar dat is zeker geen Atlantische Oceaan. Zelfs voor het stuwmeer dat het is zou het nog iets beter zijn best mogen doen.

Nee, Klin met zijn ongeveer 3000 inwoners voelt zich innig verbonden met de wereldstad Rio de Janeiro omdat er op een van de heuvels rondom het dorp een tandpastareclame-wit Christusbeeld staat. Het is zeker imposant als je ervoor staat, maar de beeltenis van onze Lieve Heer is in vergelijking met zijn Braziliaanse evenknie gereduceerd tot dwergachtige proporties.

En toch, het boekje in ons huisje raadt het aan om het te bezoeken, onze tijdelijke Slowaakse buren proberen ons ervan te overtuigen in hun beste Engels dat Rio de Klin echt de moeite waard is (“Best trip ever, we will visit it for the first time today”) en als klap op de vuurpijl de enige Nederlander die we in deze uithoek tegenkomen (“ik ben hier voor werk en ik woon in Weert”) geeft aan dat we toch niet weg kunnen gaan zonder langs Rio de Klin langs te gaan.

Dus we zijn gezwicht voor de toeristenlokker die niet te vermijden is, die omgeven is met een zweem van “goed geprobeerd, maar jammer joh” en daarom ons grote wantrouwen geniet: we zijn naar Rio de Klin geweest. We hadden wel afgesproken dat we zo ver mogelijk door zouden rijden met Szusza, want als we dan toch hiervoor vielen, dan ook maar goed fout.

We kwamen aan op wat leek de parkeerplaats voor het laatste wandelpad begon. De weg van het wandelpad was echter geasfalteerd en leek Szusza-proof. Dus we wilden doorrijden tot we wandelaars zagen. Hmm, toch maar niet en braaf parkeren. De parkeervlakte (want dat doet de plek betere eer aan) was van gravel met kuilen. Het wandelpad de eerste paar meter ook. Totdat we de bocht om waren.

Voor de context: we zitten in het noordelijkste puntje van Slowakije, in de Tatra. Een uithoek dus. Iedereen die erachter komt dat wij Nederlands zijn, vraagt of we hier zijn vanwege familie, want toeristen die hier vrijwillig komen en blijven zijn niet raar maar heeeeeeel bijzonder. Een aantal dorpen in de omgeving zien eruit alsof hun gloriedagen zelfs niet onder het communisme zijn begonnen en de Tatra zelf zorgt ook niet voor een heel gepolijste omgeving.

Maar op de weg naar Rio de Klin ligt een wandelpad van 600 meter met een gemiddeld hellingspercentage van 17% en dat is niet alleen maagdelijk geasfalteerd (hoewel een kat of een hond heeft geprobeerd dit te verpesten), maar er ligt een betonnen gootje naast en daar weer naast zijn vrijwilligers onkruid aan het wieden en plantjes aan het planten in een orde en precisie waar ik blij van word. Trump en iedereen die golft zou jaloers zijn op het megastrakke gras en kun je een soort bedevaart doen langs niet alleen de kruisweg van Christus, maar ook die van Maria.

En als je eenmaal boven bent, vind je er – naast nog een parkeerplaats – een kapel met een krans beelden van andere heiligen (met uiteraard die van de paus Johannes Paulus II die als enige recht tegenover het Christusbeeld staat in een intens devote houding). Er wordt alleen een euro per persoon gevraagd, zodat “we het hier nog mooier kunnen maken”. Waar zijn we beland? Ik ben nog nooit in Brazilië geweest, maar ik kan me toch niet voorstellen dat de echte Rio hieraan kan tippen.

En wat doet de gemiddelde Slowaak als je de top hebt bereikt? Als je vrouw bent, bid je in de kapel, als je man bent ga je aan de rand van het plateau staan en maak je selfies met het Christusbeeld, kinderen voetballen aan de voet van de Verlosser. En daarna ga je picknicken op die grasmat. Dit is natuurlijk je kans om waarschijnlijk insectvrij en moddervrij je zoete Marlenka op te eten.

En wij? Wij voelden bij het naar beneden lopen onze bovenbenen en spijt dat we niet waren doorgereden.