Dag 17 – Error (thuis, NL)

Als u dit berichtje leest, zijn we weer thuis. Maar dat had nog best wat voeten in de aarde. Zeventien uur duurt lang wanneer er een waarschuwingslampje hysterisch in je dashboard oranje knippert.

Goed, nog eerst een laatste reflectie op Servië. De laatste keer dat we er waren was zeven jaar terug. Toen vroeg nog één vriend ons om bij een eventueel nieuw referendum over de EU en Servië weer tegen te stemmen (hij refereerde aan het Oekraïne-referendum) en de rest van de Servische vrienden mijmerden eigenlijk vooral over alle voordelen van een EU-lidmaatschap of men probeerde zelfs actief een Hongaars paspoort te regelen. Nu merk je aan alles dat er in zeven jaar veel kan gebeuren.

Normaal kun je in Oost-Europa geen kant opkijken zonder een Oekraïense vlag te zien. Hier zagen we voor het eerst sinds lange tijd trotse Russische vlaggen wapperen. Op verschillende plekken spraken Serven hun steun aan Rusland uit. Hier zagen we ook voor het eerst in lange tijd weer tankstations van Lukoil en Gazprom. In Belgrado hing over railingen van verschillende viaducten een spandoek met de slogan “Servië is geen volk dat genocide heeft gepleegd”. En de snelwegen die in 2017 nog niet bestonden? Zonder uitzondering Chinees. Servië heeft de afslag weg van de EU genomen. En om het nog complexer te maken: omdat Servië warme banden met Rusland heeft, geldt er een gunstig visumregime voor Russen. Die Rus die we in Uvac tegenkwamen? Gevlucht voor de mobilisatie en tegen de oorlog. En hij is niet de enige.

En toch is het ook ‘goed’ of ontnuchterend om dit te zien en te ervaren. Niet omdat we het ermee eens zijn, maar omdat Servië een unieke en ongefilterde inkijk geeft in de overtuigingen van de andere kant die we – eerlijk is eerlijk – maar weinig horen in Nederland, maar die in de rest van de wereld niet zo omstreden zijn als we eigenlijk hopen. En hier wordt zichtbaar wat er gebeurt als je niet pro-EU bent: China (en Rusland ook) vult het gat met alle liefde.

En de gewone Serven die we spraken? Die klagen nog steeds over de uitdagende leefomstandigheden in een land als Servië – hen lijkt het niet meer uit te maken wie er helpt verbetering in aan te brengen: EU of geen EU. Helpt het dan om een land als Servië te boycotten? We hebben niet de illusie dat onze komst naar een land als Servië het tegengif tegen politiek cynisme is, maar ik denk wel dat menselijk contact en oprechte interesse in de situatie van de ander een eerste broodnodige stap is in deze gepolariseerde wereld.

En voor iedereen die begint te twijfelen aan onze standpunt in de oorlog in Oekraïne: we hebben niet getankt bij Gazprom of Lukoil en voorlopig zullen we dat ook niet doen.


Het was intussen wel tijd om Servië te verlaten en weer terug te keren in onze pro-Oekraïnebubbel. Nog anderhalf uur kronkelweggetjes scheidde ons van kilometers smooth snelwegasfalt. En dat was het moment dat Szusza besloot dat het tijd was om aandacht te vragen voor haar vierwielaandrijving door middel van drie knipperende oranje lichtjes. Maar hé, met oranje mag je nog naar huis rijden. Toch? Het reed toch niet heel prettig.

Terwijl een van ons de voorwaarden van de pechhulp van onze autoverzekering ging uitzoeken, probeerde de ander Szusza uit te lezen. Maar Szusza liet zich niet lezen en hoewel onze pechhulp royaal is, was het idee dat je met je auto en al je bagage in Servië stond toch iets minder aantrekkelijk. We besloten door te rijden, want afhankelijk van wie je het vroeg, merkte je niet heel veel verschil in Szusza met of zonder oranje lichtjes.

Na de Kroatische-Servische grens was er nog maar een lampje over wat knipperde en als je de vierwielaandrijving in een andere stand zette, knipperde dat ook niet meer. Reden we alleen wel in lock in een niet echt off the road-situatie. Gelukkig hadden we heel Oostenrijk om te googelen wat wijsheid was in deze situatie.

En daar kwam een – sorry voor de slechte taalstijl in deze zin – polariserend beeld naar voren. Het ene kamp zag de oplossing in een paar keer voor- en achteruitrijden op een egale ondergrond. Het andere kamp oordeelde dat de auto minimaal total loss zou zijn als je nog een meter doorreed. Zeg maar neem-maar-een-paracetamol-thuisarts.nl vs. je hebt de laatste fase van kanker en je gaat dood; maakt niet uit dat je maar een snotneus hebt.

We besloten in Duitsland toch maar even het nummer van de pechhulpcentrale op te zoeken en eerst de twee garages waar we normaal naartoe gaan even te bellen. Garage nummer een dacht dat we ter plekke ons differentieel aan het kapotrijden waren, maar had geen ervaring met vierwielaandrijving. Garage nummer twee heeft er wel ervaring in en zei: “Irritant hè, dat lichtje? Maar zo lang je niet op de Autobahn rijdt, kan het niet zo heel veel kwaad. Kom dinsdag maar langs.” – terwijl wij in de zoveelste Baustelle-file op de Autobahn stonden… Maar als we geen snelheidsduiveltjes uithingen, moesten we het wel redden tot aan de garage in Nuland.

Intussen had Szusza besloten ook haar laatste knipperende lichtjeskeutel in te trekken en zonder alarmlichtjes reden we de Nederlandse grens weer over. * insert rundfunk met Duits accent: “Oh nee, toch niet” * Het lichtje knippert inmiddels toch weer. Szusza mag nog even een paar dagen bijkomen op de oprit, dinsdag gaat ze naar de dokter. Wij zijn in ieder geval heelhuids weer thuis. We gaan Szusza en de WordPressapp weer oplappen voor de volgende vakantie. Wie weet waar ze ons gaan brengen. Voor nu: ciao en dovidenja!

Dag 15 – Het schip in (Kusici, SRB)

We zitten in het westen van Servië en dat is een bergachtig gebied waar je in de winter zelfs kunt skiën. Niet alleen de rivier de Morava stroomt door deze regio, maar ook de rivier de Uvac drukt zijn stempel op het landschap hier en ik raad u aan even een kleine Google-sessie te starten. Dit is echt een ondergewaardeerde regio van de Balkan.

Hoog tijd dus om onvervalst de toerist uit te gaan hangen. Onze gastheer had ons een contact en een locatie gegeven waar we ons om tien uur moesten melden en dan konden we met een bootje mee de rivier op. We moesten zeggen dat we bij Nenad verbleven en alles zou goed komen.

Het werd een bijzondere dag.

Om een paar minuten voor tien waren we bij de locatie, een restaurantje. Het restaurantje was uitgestorven en eigenlijk alles om ons heen was leeg en stil. Alleen ergens in een hok hoorden we wat gerommel.

Uiteindelijk kwamen we een man tegen. We noemden de naam van Nenad en kregen toen een moeilijke blik terug. Het bootje bleek een halfuurtje voor onze komst te zijn vertrokken, maar waarschijnlijk zou om half twaalf de schipper nog een keertje varen. We konden we wachten in het restaurantje.

En plots was daar de vrouw van het restaurantje. Ze heette Slavica en haar naam klinkt even gezaghebbend als dat ze was. Of Gerard niet even kon helpen. Gerard verdween met Slavica en na een tijdje kwam Gerard weer terug met rakija en twee glaasjes. Hij had een koelkast moeten verplaatsen. Vervolgens kwam er nog baklava. Slavica beweerde dat de Turkse baklava alleen maar uit suiker bestond, die van haar was veel lekkerder en had nootjes. En daar was geen woord aan gelogen.

Het werd half twaalf en er kwam een bootje terug. De schipper zei echter dat hij nog niet ging varen. Hij wachtte nog op een groep en dan gingen we. Zou nog een kwartiertje duren.

Het werd twaalf uur. Slavica probeerde nog meer eten en drinken aan ons te slijten, maar wij waren er eigenlijk wel een beetje klaar mee. Het was namelijk ook nog steeds ruim dertig-plus graden, dus we besloten toch naar beneden naar het bootje te lopen en maar onze vaart af te dwingen door alvast in het bootje te gaan wachten.

Het duurde een kwartiertje en toen verschenen twee mensen. Ze wilden ook meevaren. We legden uit dat dat waarschijnlijk wel kon, maar dat wij eigenlijk ook niet wisten of en wanneer dat dat dan zou gaan gebeuren. Na een minuut of tien had de man van het stel weten te achterhalen dat de groep er echt bijna aankwam en dat het bootje dan zou gaan.

Het werd kwart voor een, het werd een uur…

En toen verscheen er hoog in de bergen een bus. De bus stopte uiteraard niet bij het bootje, dus een hele groep met mensen stroomde uit de bus en zwermde vervolgens de helling af en kwam aandruppelen bij de bootjes. Na ruim drie uur wachten konden we vertrekken. Jeejj!

Wat u alleen niet weet, maar wij al vrij snel ervaarden, was dat dit een groepsuitje was. En het was het docentenkorps van een middelbare school in Novi Pazar. Hoe je dan zo te laat kunt komen is ons een raadsel (check wederom Google), maar het aantal decibellen dat deze docenten bij elkaar produceerden was nog indrukwekkender. Daar gingen we het natuurgebied van de Uvac-rivier in.

Wat doen docenten zonder leerlingen? Die gaan zelf de leerling uithangen. Drie bootjes docenten, twee andere toeristen en wij zigzagden door de meanders van de Uvac. De schipper was allang blij dat hij eindelijk een groep Serven had tegen wie hij zijn sterke verhalen kon ophangen en die niet sceptisch of onbegrijpend terugkeken, dus het werd al gauw een opboksen van de mannetjes op de boot. De vrouwen hadden het vooral reuzegezellig en maakten de ene selfie na de andere – alles onder het genot van een hoeveelheid sigaretten waar de Nederlandse tabakslobby jaloers van zou worden.

Onderdeel van de trip was een bezoek aan de ijsgrot. Je verwacht het niet met zo’n naam, maar toch had een flink deel van de groep geen warme trui meegenomen. Het leek wel alsof het fenomeen puber niets leeftijdsgerelateerds is, maar dat het een verplichte rol is die een groep in een schoolcontext moet aannemen. Bij gebrek aan tieners wordt de groep docenten dan de groep mensen met een prefrontale cortext in ontwikkeling.

Wij zijn dus in 2017 ook in een grot in Servië geweest. De gids die we daar hadden was het type wat je in Rusland ook in musea tegenkomt: onbetwiste experttsarina in haar domein die geen tegenspraak duldt en die een air uitstraalt waardoor je je meteen nederig en intens gelukkig voelt dat je het voorrecht mag genieten dat je je in haar aanwezigheid mag laven aan haar kennis.

Goed, de Servische grotdame was duidelijk en onverbiddelijk: absolute stilte en geen flistlicht, want dat ontregelde de vleermuizen. Een ieder die dit wel waagde was ze in staat achter te laten in de grot. Je durfde niet eens naast het pad te kijken, want je wilde niet de verdenking op nemen dat je het waagde te overwegen aan iets anders te denken dan haar verhaal en de ware weg die zij ons voorging. Aan het eind van de tour moesten we verplicht een kwartier acclimatiseren en pas als zij er absoluut van overtuigd was dat we niet direct door het temperatuursverschil van ons graatje gingen buiten de grot, mochten we vertrekken.

Dat was 2017 en dat was ook een andere gids. Onze schipper in 2024 was ook de gids en hij had wat te bewijzen. We gingen de ijsgrot in die zijn naam eer aan deed. De grot was koud en vochtig en de stalactieten en stalagmieten ontstonden ter plekke. Er was een pad, maar waarom zou je daarop lopen? Het is niet alsof er naast dat pad geen glibberige en bijna aangevroren rotsen waren ofzo. En vleermuizen zullen er ook wel niet meer leven, want de herrie die de docenten in de bootjes maakten, werd er absoluut niet minder op in de echoput die de grot was. Toen de gids mensen uit de groep uitnodigde om water te drinken (“is twee miljard jaar oud!”) en vooral de stalagmieten te beklimmen voor de perfecte foto’s keken de twee andere toeristen en wij elkaar lichtelijk verbijsterd aan. Het andere stel kwam uit Rusland en had net als wij minimaal Russische museumtaferelen verwacht in deze grot.

Met zaklampen en luid kirrend ging de groep verder. Het pad stopte, maar niet volgens de gids. Een kleine klautertocht volgde nog tussen nauwe gangetjes en over gladde stenen. Voor ons was dit wel genoeg – tot ongeloof van de gids die in eerste instantie dacht dat wij hem niet begrepen hadden. Voor de groep was het ook genoeg, we gingen terug naar de bootjes. Maar niet voordat minimaal een handvol mensen nog even in de ongeventileerde grot een sigaret had opgestoken. Het was natuurlijk al weer veel te lang geleden na de laatste.

Op onze weg naar buiten zagen we dat iemand zelfs zijn verse sigaret verloren was, maar iedereen had haast om weer terug te komen in de warmte. Niks acclimatiseren, de gids kreeg ongeduld. En geef hem eens ongelijk: het was vier uur toen we wegreden van de Uvac. De boottocht zelf was ook met meer dan anderhalf uur uitgelopen. Sec bekeken hebben we waarschijnlijk meer waar voor ons geld gehad dan wanneer de vroege boottocht op ons had gewacht, maar “alles wordt geregeld” was wel het understatement van de dag.

Dag 4 – Work hard, play hard (Wenen, A)

Sommigen van ons schrijven dus een vakantieblog, maar zijn gewoon aan het werk. Weliswaar in Wenen, maar toch.

Trouwe volgers van dit blog weten dat ik een keer eerder voor het werk in het buitenland ben geweest. Toen was een van de rode draden in die vijf dagen: vermoeidheid. En hoewel ik dit deel van mijn werk echt enorm waardeer en voor geen goud zou willen missen, is het echt flink aanpoten.

Drie keer per jaar komen vergelijkbare bedrijven als mijn werkgever bij elkaar op een expertise-onderwerp. En de werkgroep waar ik bij zit heeft data als focus. Een bijeenkomst start op dag 1 vlak voor de lunch en eindigt dag 2 net na de lunch. Dan denkt u waarschijnlijk: dan kun je laat beginnen. Allereerst gaat een deel van de ochtend op met reizen van het hotel naar het kantoor. Soms heb je daar even wat tijd voor nodig (ik kijk naar jou, Madrid en Stockholm). Soms ligt het om de hoek (well done, Wenen!). Daarnaast is het een gewone werkdag, dus de mail en alles gaat gewoon door. En dan is die ochtend toch heel handig en ook zo voorbij.

Vlak voor de lunch kom je bij het kantoor en begint de lunch: wellicht denkt u nu ook dat dit ontspannend is, maar hier komen twee uitdagingen om de hoek. Uitdaging nummer 1: het sociale gedeelte begint meteen. Dus bijpraten, inhoudelijk en sociaal (hoe was je reis, hoe is het afgelopen met die data-architect die wel erg ambitieus was, etc.). Uitdaging nummer 2: ik eet vegetarisch. De ene keer krijg je fantastisch eten, de andere breekt er paniek uit in de keuken en wordt er wanhopig en snel nog gewerkt aan een maaltijd speciaal voor mij (wordt wel ontzettend op prijs gesteld!). Overigens zijn de buitenlandse collega’s ontzettend attent, want vaak wordt er meerdere keren apart bij mij gecheckt of ik goed en voldoende eten heb. Dus aan goede zorgen geen gebrek.

En dan begint het feest. Van een uur ‘s middags tot een uur of half zes gaat het inhoudelijk over data, wet- en regelgeving, ethiek, analytics, uitdagingen, AI en ga zo maar door. En het is de bedoeling dat je meedoet. Dus vijf-en-half uur Friends kijken is intensief, maar prima te doen. Vijf-en-half uur zelf acteren in het Engels en interactie met het publiek vraagt toch wel wat van je brein.

Maar, hoor ik u zeggen, dan heb je de avond toch? Vaak hebben we een halfuurtje tot een uur voor onszelf en daarna begint het social dinner. Rond een uur of acht-half negen gaan we als groep avondeten en hoewel er meer ruimte voor privé-onderwerpen is, gaat het ook hier vaak verder over data. Overigens doet het bedrijf waar we zijn vaak ontzettend hun best om de stad waar we zijn van haar beste kant te laten zien. Inmiddels ben ik op plekken geweest waar ik anders echt nooit terecht was gekomen (soms vanwege de prijs, maar veel vaker omdat het echt inside information is). Alleen al vanwege de moeite die men erin stopt om dit te regelen, maakt dat je dit niet kunt skippen of dat je halverwege weggaat. En dat resulteert in een bedtijd van een uur of elf. Normaal geen probleem, maar na een dag als dit is dat toch wel een latertje. En dan heb ik nog het geluk dat ik niet drink…

De volgende ochtend word je dan weer om half negen verwacht op het kantoor. De tweede helft start nu en vaak ben ik niet de enige die deze helft vooral doorkomt op karakter of koffie. En nu klinkt het alsof het vooral vraagt en weinig oplevert, maar er is niets in mijn werk wat mij meer leert en inspireert dan deze dagen. Neem wet- en regelgeving: we kunnen het zelf allemaal verzinnen, maar als we onze kennis die in heel Europa zit combineren, komen we veel verder en al die verschillende invalshoeken, blikken, ervaringen verrijken het werk op een manier die niet mogelijk is wanneer je hetzelfde zou doen met Nederlandse collega’s die allemaal bij hetzelfde bedrijf werken.

Dus rond een uur of twee ‘s middags op dag 2 is batterijtje echt leeg, maar de komende maanden ben ik in mijn werk nog bezig met het op de juiste plekken brengen van wat ik heb geleerd en meegenomen. De impact van twee werkgroepen terug is nog steeds zichtbaar in ons werk en ook na de afgelopen keer hebben we erna nog meerdere keren afgesproken met Europese collega’s om verder van hen te leren en andersom. En dat geeft zoveel voldoening!

In Wenen is het voor nu klaar en normaal reis je dan of terug naar huis of je blijft net wat langer en reist wat later op de dag of de dag erna terug. Alleen dit keer is het anders: ik heb werkelijk iedereen uit de groep jaloers gemaakt. Mijn laptop en telefoon zijn uitgegaan: onze vakantie start nu en meneer De Mol kan er elk moment zijn.

Dag 2 – Wenen is een mooie stad, maar net iets te ver weg (Wenen, A)

U vraagt zich nu natuurlijk af of ik een beetje ongeschonden in Wenen ben aangekomen. Dat had wat meer voeten in de aarde dan verwacht. Mijn lichte vrees werd waarheid.

In Keulen had de trein 130 minuten vertraging. Zonder al te veel te verklappen kan ik u vertellen dat dit ruimschoots verdubbeld was toen we Wenen binnenreden.

Tegen de tijd dat we bij Frankfurt waren, was de vertraging al opgelopen tot 170 minuten. Dit had te maken met die mooie route langs de Rijn waar de trein niet hard mocht rijden en dat blokkerende treinstel.

In Frankfurt kwam een Nederlands koppel tegenover het gangpad van mij zitten (in de categorie: prima te doen) en een stel uit Australië. De Nederlanders waren in Frankfurt al klaar met de Deutsche Bahn, de Australiërs hadden een hele doos met vakantie-avonturen waarbij de Deutsche Bahn min of meer gereduceerd werd tot een hokje van de bingo vakantie-ellende dat nog aangekruist moest worden. De problemen met de Deutsche Bahn leek het stel al volledig ingecalculeerd te hebben als onderdeel van de reis die toch al uit hindernissen bestond.

De Aussies waren een koppel op leeftijd wat een maandenlange rondreis door Europa wilde maken. Op de heenweg was hun vlucht in Singapore gecanceld en in Parijs waren er ook al twee excursies om vage redenen vervallen. Ze waren nu op weg naar een cruise over de Donau. U weet wel, die rivier die nu voor veel ellende zorgt… De boot kon niet varen, zei de vrouw bijna stuiptrekkend van de lach, omdat er te veel water was. Ze vond dat idee hilarisch. Oorspronkelijk hadden zij eerder op de boot moeten stappen, maar nu gingen ze dan vanaf Regensburg. Toen we het koppel wat foto’s van het overschot aan water lieten zien, begreep de vrouw pas wat er echt aan de hand was en drong het tot haar door dat een teveel aan water ook een probleem kan zijn voor een boot en dat je in een andere categorie toerisme valt als je daar toch de Donau wil bekijken op dit moment.

Omdat ik water en eten had meegenomen voor een reis die om kwart voor negen ‘s avonds voorbij zou zijn, moest ik op een gegeven moment naar de restauratiewagon. Daar stond de Australiër ook en hij bestelde een koffie. Vervolgens begrepen hij en de barista elkaar niet en hielp ik met vertalen. Wat dat deed met de barista weet ik niet, maar hij bleef stug Duits praten tegen de man die hem niet begreep en begon Engels te praten tegen mij terwijl ik in het Duits antwoordde. We kwamen uiteindelijk allebei met respectievelijk een koffie en een pretzel + mineraalwater weer terug bij onze stoelen.

Alles leek min of meer voorspoedig te gaan en rond half acht appte ik naar Nederland: “Ik ben heel blij dat ik nu in de trein naar Wenen zit en dat ik niet meer hoef over te stappen.” Waarom ik dat deed weet ik niet. Zou ik denk ik de volgende keer ook niet meer doen.

Sommige dingen moet je namelijk ook niet uitlokken.

Om half negen, ergens tussen Nürnberg en Regensburg, hoorden we boven onze wagon een klap en vervolgens vloog er iets langs ons raam. Iedereen keek verontrust naar elkaar en er was een collectieve hoop dat de trein in ieder geval zou doorrijden na alles van vandaag. En even leek de trein ook gewoon door te rijden. Totdat ze dat niet meer deed. Daar stonden we dan ergens in een pre-Alpenwei en een bos.

Na een kwartier schalde er een “Meine Damen und Herren” door de luidsprekers. De trein had problemen met de elektriciteitsaanvoer en onze wagon dacht alleen maar: “No shit, Sherlock, vertel wat de consequenties zijn en ruk die pleister eraf.” Maar hier bleef het bij.

Weer een kwartier later riep het personeel rond dat deze trein niet verder kon. Er zou een andere trein naast de onze komen en de trein zou geëvacueerd worden. Ze wisten nog niet of die nieuwe trein naar Wenen zouden rijden. Nu werd de wagon een beetje moedeloos. Een jongen achter mij die geen Duits kon, maar overduidelijk aanvoelde dat het geen goed nieuws was, kwam met lichte paniek naar me toe: of ik wist wat er aan de hand was.

En toen begon het wachten. En het wachten. En het wachten. Uiteindelijk bleek dat onze trein met opnieuw opstarten het op een lagere snelheid wel zou halen tot aan Regensburg, daar zouden we horen hoe we dan in Wenen zouden komen. We waren op dat moment echt letterlijk halverwege Nürnberg en Regensburg, dus het kruiptempo naar Regensburg zorgde voor een extra vertraging on steroids.

En zo moest ik toch nog overstappen in Regensburg. Daar stond een andere trein die snel leeggeveegd werd van passagiers. Pas toen zij weg waren, gingen onze deuren open. We zaten weer op ons plek maar dan in die andere trein en overal lagen nog bekertjes, eten en krantjes. Dus wij vermoedden dat de trein een soort van plots geconfisqueerd is voor ons of zo. De Australiërs hadden Regensburg in ieder geval gered. De jongen die geen Duits kon en het Nederlandse koppel en ik gingen dan toch echt naar Wenen.

In plaats van kwart voor negen ‘s avonds, kwamen we om half twee ‘s nachts aan. Anderhalve zwerver en het nachtleven van Wenen keken ons aan alsof we van de maan waren gekomen en wij keken terug alsof we de zombie-apocalyps hadden overleefd. De taxichauffeurs waren de enige mensen die nog nuchter konden nadenken en grepen hun kans. Want wie wil er om half twee ‘s nachts nu nog met het ov naar zijn hotel? Ik had in ieder geval inmiddels die principes overboord gekieperd. Een ander overduidelijk Nederlands stel was standvastiger. Ik zag ze discussiëren met een chauffeur, stapte zelf in een taxi en zag ze vervolgens bozig een paar minuten later naar een vrij donker en dicht metrostation benen. Geen idee of zij bij hun hotel zijn geraakt met het ov, maar de taxi gaf hier ook niet per se die garantie, want door wegwerkzaamheden die de chauffeur probeerde te omzeilen naderden we het hotel in een soort spiraalroute. Scheldend kwam de chauffeur steeds dichterbij. Verontschuldigend voor zijn gedrag en de wegwerkzaamheden vroeg hij of we dit ook in Nederland hadden. Mijn inwendige censuurambtenaar kon nog net de zin onderscheppen dat we dat ook hadden, maar dat het Nederlandse ov wel een fatsoenlijk alternatief is. Het was inmiddels kwart over twee. Mijn Weense kussen kwam in zicht.

Dag 1 – Ga met de trein zeiden ze, dan zie je meer van de wereld zeiden ze ((doel) Wenen, A)

Het is weer zo ver: voor het werk mag Mrs De Mol naar het buitenland. Ditmaal is het Wenen. En aangezien Wenen ruim binnen berijdbare afstand ligt, werd het verzoek om met de trein te mogen ingewilligd en een erna opvolgende vakantie ook. Het voelde toch een beetje raar om een paar weken later zelf nog een keer naar Wenen te rijden en het dan als eerste tussenstop voor vakantie te hebben.

Als u denkt dat ik het goed voor elkaar heb: meneer De Mol zit al een week in Schotland voor het werk. Dus er is altijd baas boven baas.

En alsof timing niet al een rol speelde deze vakantie: iedereen die het nieuws heeft gevolgd en weet waar Wenen ligt, vraagt zich nu waarschijnlijk af hoe je daar in hemelsnaam komt met de ellende die Beiers noodweer en de Deutsche Bahn heten. Spoiler alert: ik weet het ook nog niet.

De dag begon voorspoedig. Pas om kwart over tien vertrok de trein vanaf Den Bosch naar Frankfurt. Ik kreeg nog een vraag over het feit dat ik graag zaterdag wilde vertrekken. Maar het argument dat ik een dag extra had wanneer de treinen niet zouden meewerken, was doorslaggevend. En daar stond ik dan braaf op zaterdagochtend op station Oss tussen alle dagjesmensen die Den Bosch gingen bezoeken.

We waren Brabant nog niet uit en vol optimisme appte ik De Ander van ons twee dat we dit wel vaker konden doen, want het beviel wel. Little did I know, want we waren koud in Limburg toen de trein afremde en besloot stil te staan in een weiland. Seinstoring. En men wist niet hoe lang het ging duren. En ook niet of de trein nog verder ging rijden na Keulen. De conductrice adviseerde om vooral even af te wachten, terwijl de overstaptijd in Frankfurt met de minuut afnam. Kalm vertelde ze dat er ook een kapot treinstel al twee dagen het traject tussen Venlo en Frankfurt blokkeerde en er waarschijnlijk nog zo’n 90 minuten aan vertraging bovenop kwam omdat ze moesten omrijden. Ik beschik niet over dezelfde kalmte als zij. Maar er was denk ik ook een verschil in belangen. Want exit overstap in Frankfurt.

Het werd half een en kruipend arriveerden we in Keulen. Inmiddels kende ik het complete reisschema van de Deutsche Bahn uit mijn hoofd en had ik gezien dat ik ook in Keulen kon overstappen op de trein die ik naar Wenen moest hebben en in Keulen zou die trein nog achter de trein van ons zitten. Ik was inmiddels wel in voor een gokje en stapte in Keulen uit. Officieel had ik op Keulen 20 minuten overstaptijden ten opzichte van de inmiddels -70 minuten in Frankfurt, dus dit leek het beste alternatief.

Het werd 12:50 en de trein naar Wenen kon toch elk moment komen. Een afgeladen perron keek bij ieder treingeluid verlangend op. Dit zijn van die momenten dat ik extreem dankbaar ben dat mijn talenknobbel ook een paar hersencellen Duits bevat. Want Engels, nee hoor. Verstaanbaar Engels via de omroep op het station: de Britten zitten niet meer in de EU dus waarom zou je. De app van de Deutsche Bahn besloot ook in informatiestaking te gaan en daar stonden we dan. Het was allang 12:50 geweest, de trein stond niet meer op de borden, er stond een massa bij de enige twee DB-medewerkers op het perron die behalve Duits ook Duits spraken en de trein die wel klaarstond, konden we niet in.

En dit is ook het moment dat ik het dan vooral fascinerend vind om te zien wat er met anderen gebeurt. Want dit was een internationale trein, dus op het perron stonden niet alleen Duitsers, maar ook veel Nederlanders en Britten.

Er was een plukje Nederlanders waarvan je dan denkt: oh nee, wij delen een nationaliteit. Zeg maar de categorie die met Heineken op het perron staan en dan schreeuwend een hitje van Guus Meeuwis gaan zingen (wat een van de twee DB-medewerkers subiet en doortastend afkapte met haar pinnige fluitje). Maar hetzelfde dacht ik bij de Nederlanders die even lekker assertief hun mening gingen geven aan die twee arme DB-medewerkers. Toen was ik echt blij dat ik in het Duits mijn vragen kan stellen.

De Duitsers begonnen vooral te mopperen. “Het was toch unmöglich. En dan krijg je alleen verontschuldigingen. Dit ging toch niet.” Beschaafd gedeelde verontwaardiging die niet in enige actie werd omgezet. Fantastisch om naast te zitten tijdens het wachten, want elke snipper informatie werd met een saamhorigheid waar wij nog wat van kunnen leren gedeeld met iedereen die er Duits uitzag of zich zo gedroeg ^^

En dan waren er nog de Britten. Waarschijnlijk gepokt en gemazeld door hun eigen treinthuissituatie die met een onverwoestbaar optimisme en een prettige gelatenheid zichzelf onzichtbaar in een hoek van het perron parkeerden en rustig wachtten tot de trein naar Wenen met 130 minuten vertraging dan toch eindelijk binnenkwam.

Ik zit dus inmiddels in een trein en tot dusver rijdt deze trein naar Wenen. Ik kom waarschijnlijk ergens rond middernacht aan in Oostenrijk, maar door de versperring tussen Venlo en Frankfurt heb ik zojuist het mooiste stukje treinspoor langs de Rijn gezien (die overigens enorm hoog staat). En ik kan alleen maar met een lichte angst afwachten op wat nog gaat komen, want het is nog een flink stuk Duitsland wat voor me ligt.

Mensen, we zijn enorm gezegend met de NS. Sommige dingen mis je pas als ze er niet meer zijn.

Dag 21 – Toegift: een ode aan Szusza (Thuis, NL)

Szusza ging ‘s zomers naar Theth
Maar ja, de weg was heel slecht
Kijk uit, pas toch op
We hoorden een plop
Nu heeft haar uitlaat een smet

“Het zou toch moeten gaan, hoor
‘t Is toch een sterke motor”
Maar een steen met een rand
Schraapte d’r onderkant
Nu klinkt Szusza dus heel schor

Tsja, daar reden we in Theth
‘t Was bijna uit met de pret
‘t Was leuk geprobeerd
Ten halve gekeerd
Gelukkig heeft ze ‘t gered

Mensen, leer van deze les
Ook al ging dit niet expres
Goede wegen zijn heel schaars
‘Zelfde weg t’rug is niets raars
Het scheelt gewoon een hoop stress

Dag 20 – Haiku (Annecy, F)

Muggenbetenjeuk

Souvenirtje uit Lucca

Ik was het eens niet


Inmiddels zijn we in Annecy. We zijn twee dagen verder en we voelen ons een stuk beter. Ook in Frankrijk is het warm, al is het hier in de bergen beter te doen. Een van ons twee heeft de voedselvergiftiging ingeruild voor een berg muggenbulten en ziet eruit alsof-ie de waterpokken heeft (en dit is niet de stijlvorm ‘overdrijving’).

Aan onze vakantie komt langzaam een eind. We slenteren nog wat door het oude centrum van Annecy, we drinken thee op een terras met een magnifiek uitzicht over het meer van Annecy en bij ons hotel is een klein marktje met worsten en wijnen waar we nog even langsgaan. We mijmeren over het komende jaar en wat dat ons gaat brengen, we kijken terug op drie fijne, maar warme weken.

In Krujë kwamen we langs een winkeltje dat honing verkocht. Een ouder echtpaar had schappen vol potjes staan en lieten trots de foto’s van hun bijenkorven en -kasten zien. Zij spraken geen Engels, wij geen Albanees, maar met wat handen en voeten en basaal Italiaans kwamen we een eind. Elke honingsoort moesten we proeven en de onvermijdelijke rakija uiteraard ook. De honing kwam in de buurt van de honing waar onze reis mee begon, die Oekraïense honing die nergens aan kan tippen. Vandaag is de Onafhankelijkheidsdag van Oekraïne. Hoe lang zou het duren voor we daar weer heen kunnen? Naar de zandstranden van Odessa, het Holenklooster in Kiev, de prachtige Karpaten en de Tisza. De Albanese honingmevrouw gaf ons honing mee en zei dat we tegen iedereen moesten vertellen dat ze langs moesten komen.

Morgen rijden we terug naar huis. Tegen de tijd dat we thuis zijn hebben we er zo’n 5500 tot 6000 kilometer opzitten. En hoewel Albanië zeker de moeite waard was, zou ik de oproep van de honingmevrouw nog wel verder willen brengen. Want Italië en Frankrijk zijn mooi, maar Polen, de Baltische staten, de Balkan en ook Oekraïne zijn prachtig en de mensen ontzettend aardig en gastvrij. Er is nog zoveel te ontdekken. Maar dat moet maar een volgende keer.

Dag 18 – Site Seeing (Lucca, I)

Natuurlijk kom ik er niet mee weg met maar drie alinea’s over de Baai van Napels. Dus hier is een iets uitgebreidere versie van de afgelopen dagen.

Op dag 16 gingen we naar Pompeï. We hadden een soort museumkaart waar ook OV in zat, maar we zouden anderhalf uur doen over een kilometer of 7 en Pompeï is groot, dus dat zou een hoop tijd kosten. We reden daarom met Szusza naar een parkeerplaats waar we haar in de schaduw achter konden laten. Dat was meteen de laatste schaduw van de dag, want vrijwel alles boven twee meter bestaat niet meer in Pompeï en ligt dus de hele dag in de zon te bakken.

De museumkaart zat in een app die verschrikkelijk traag was. Maar de kaart moest gescand worden en er was maar een balie waar dat kon. Daar kwamen we na drie balies achter, want in Italië zal de helft van de baliemensen je in onverstaanbaar Italiaans iets vertellen en de andere helft glimlacht er nog bij, maar verwijst je vervolgens verkeerd door.

Naast ons stond een Nederlands gezin wat zo mogelijk nog minder begreep van het baliepersoneel dan wij. “Printer, maar ik heb geen printer in Italië. Hoe moet ik een digitaal ticket op papier meenemen?” (inclusief Gooische r en zeurderige stem). Verwarring alom. Uiteindelijk duurde het te lang en werden ze binnengelaten. Daarna mochten ook wij dan eindelijk naar binnen.

We waren nog geen halfuur binnen of een van ons kreeg dus last van een milde voedselvergiftiging. En dan is Pompeï groot en warm en druk. Langzaam, vooral niet met te veel haast en van schaarse schaduw naar schaarse schaduw kruipend, baanden we ons een weg door het eeuwenoude stratenraster. Gelukkig hadden we paraplu’s bij ons, zodat we die als parasol konden gebruiken (bij dezen de gratis tip die je leven redt wanneer je in de zomer naar Pompeï gaat).

Rond een uur of drie werd het echt te warm en hadden we wel een goede indruk gekregen. Het was tijd om terug te gaan naar ons hotel en in de buurt van de airco en het toilet te blijven.

De dag erna waren dus Herculaneum en het Archeologisch Museum aan de beurt. En was het aan de andere helft van ons om zich beroerd te voelen. Wederom was het een warme dag met veel zon en weinig schaduw. Ditmaal gingen we wel met het ov, want zowel Herculaneum als het museum zijn kleiner dan Pompeï. Dus je hebt er minder tijd voor nodig.

De eerste uitdaging was een bushalte vinden waar de bus ook echt stopte. Die was er toch niet, dus liepen we naar het treinstation van Castellamare di Stabia. Die wandeling an sich was al voldoende om in de hitte te blijven. De totaal niet gekoelde trein hielp nog even verder mee. Maar Herculaneum, here we come!

Na een uurtje bakken in de trein kwamen we dan toch echt aan in het decadente villadorp dat Herculaneum eigenlijk is geweest. Minder mensen, meer fresco’s en mozaïeken. Als je ooit naar Pompeï gaat, sla dit dan niet over.

De zon scheen genadeloos door en de trein die ons naar Napels zou brengen lag een halfuurtje lopen verderop. En weer een stationnetje wat eigenlijk een oventje was. De trein was gelukkig wel koel, maar besloot er halverwege mee op te houden en met het dreigement van de conducteur dat we weer zouden eindigen in Castellamare di Stabia, stapten we toch maar uit dit paradijsje.

Daar stonden we dan aan de rand van Napels. Weer in die snikhete zon en nog niet eens in de buurt van het museum. Een kwartier verderop was de tramhalte waar de tram stopte die ons dan weer bij de metro zou brengen die ons dan weer naar het museum zou vervoeren. Heeft u nog scherp dat dus een van ons niet lekker was? Dit was een lange, lange dag.

Het museum is een imposant gebouw met hoge plafonds waar de warmte goed kan opstijgen en met ramen die je open kunt zetten zodat de airco zijn werking totaal verliest. Dus zo verkoelend als het museum had geleken was het ook weer niet.

De collectie was dan wel weer de moeite waard en inmiddels was het half acht ‘s avonds. Door de hittegolf ‘koelde het af’ tot dertig graden en we moesten nog met het fantastische Napelse OV weer terug. Inmiddels waren we op een punt aangekomen dat we zo gaar waren van de hitte en de buikklachten dat het vanaf hier eigenlijk meer overleven werd. Elke tegenslag, hoe klein ook, werd een uitdaging. Een pinautomaat die het niet doet, een halte missen, een taxi bellen zodat we de route van vanmorgen niet in omgekeerde richting bergop hoefden te lopen, een tas vergeten, het enige wat nog telde was de airco en het vooruitzicht van het bed.

Er komt een moment dat we hiernaar terugkijken en lachend onszelf afvragen waar we mee bezig waren, maar hoe erg het ook afzien was, het was de moeite waard.

Dag 17 – Kapot (Castellamare di Stabia, I)

Wat doe je als je in de buurt van Napels bent? Juist: dag 1 ga je naar Pompeï, dag 2 ga je naar Herculaneum en het Archeologisch Museum van Napels. Hier komt alles samen wat ik interessant vind: Latijn, geschiedenis, geologie, architectuur en kunst. En waar ik in Venetië een beetje underwhelmed was, stelt dit absoluut niet teleur.

Behalve het Italiaanse OV: bussen die niet stoppen, treinen die juist wel stoppen, trams die haltes voorbij rijden (waardoor we nieuwe Italiaanse scheldwoorden hebben geleerd). Het zou allemaal niet zo erg zijn als het geen 39 graden was en we allebei topfit zouden zijn (klein voedselvergiftigingetje, anyone?).

En wat is het nadeel van iets als Pompeï of Herculaneum? Dat vulkanen de neiging hebben om nogal heet te worden en alles te verwoesten wat boven het maaiveld uitsteekt. Dus het gebrek aan bomen en de nabijheid van de Vesuvius zorgen voor een allround uitleg van het begrip hittestress. Gewapend met paraplu werken we onze weg door de sites. We hebben lang nog niet alles gezien, maar des te meer reden om een andere keer terug te komen. In de herfst ofzo. En topfit.

Dag 15 – Contemplatie (Castellamare di Stabia, I)

Gewetensvraagje: rij je liever in het donker in Albanië waar de wegen goed zijn, maar je je auto stuk kunt rijden op een onverlichte paard en wagen? Of rij je liever in het donker in het zuiden van Italië, waar je geen paard en wagen tegenkomt op de provinciale weg, maar waar je wel je auto kunt stuk rijden op een kuil?

Afijn, we zijn in Zuid-Italië, want we konden geen genoeg krijgen van Albanië, dus blijkt ons hotel in Monteiasi in een dorp te staan wat bekend staat om zijn Albanese diaspora in Italië. En de diaspora reikt tot Henk de hagedis, want die kwam ons weer gedag zeggen in ons hotel.

Vandaag volgen we grotenendeels de route van de oude Via Appia richting Napels. In Castellamare di Stabia verblijven we nog een paar nachten, want een kinderdroom komt uit: we gaan naar Pompeï. We slapen bij – geen grap – bij de nonnen.