Dag 4 – Babyboswandeling (Podbiel, SK)

Trouwe lezers van dit blog weten dat we – geheel onkarakteristiek, maar inmiddels – traditiegetrouw een boswandeling maken. Memorabel was de boswandeling uit 2021 in de Karpaten waar we met een lokale jongen door de bossen naar een grot gingen en deze gids vrij nonchalant opmerkte dat er vlak voor ons nog een paar beren waren langsgelopen en dat er een paar weken terug nog een jongen met een schooltas aangevallen was door een beer. Het bospad noemde de ervaren jongen zelf al ‘extreem’, maar wij Nederlanders die een hellingsgraad van hooguit een paar procent gewend zijn zouden dit samen met hem wel in twee uur kunnen lopen. Dat hebben we geweten…

En sindsdien meten we elke boswandeling af aan dat avontuur. Theth, San Boldo, we hebben inmiddels wel wat interessante dingen gezien. Dus waarom dan nu niet met een baby?

Als plaats delict hadden we een waterval uitgekozen. De waterval bevindt zich aan de andere kant van de berg waar wij tegenaan geplakt zitten. Dus gingen we met de auto op pad. Aangezien de conditie van een van ons nog niet op peil is, had die dame in kwestie expres haar wandelschoenen thuisgelaten, zodat ze ‘geen domme dingen kan doen, die nu nog niet gaan’. De reviews op Google Maps waren in het Slowaaks, maar eentje had verdacht veel hartjes gekregen, dus die bestudeerden we maar even extra goed. Dat is onze redding geweest, want daar stond een uitgebreide beschrijving van de route en de beste parkeerplaats.

De navigatie had ons namelijk eigenlijk aan de overkant van de rivier bedacht en dan hadden we met enige fantasie misschien de waterval kunnen zien of horen, maar dan hadden we er niet gekomen. De review vertelde ons echter dat we de rivier moesten oversteken en dan zo ver mogelijk door moesten rijden tot aan het bordje ‘waterval, 5 minuten’.

Tot zover doorrijden lukte niet, maar we kwamen toch aardig in de buurt. De wandeling die resteerde was niet meer angstaanjagend. We stapten uit de auto, Krotik ging in de draagzak, we stonden klaar om te vertrekken en toen kwamen er twee Slowaakse mensen naar beneden gewandeld. Of we naar de waterval gingen. “Natuurlijk!” “Dan ga je het niet redden met die schoenen.”

*insert mwa mwa mwa-muziekje*

Wat nu? De topografische kaart zei dat er niet veel hoogtemeters waren en dat die redelijk gespreid zaten. Het pad zag er naar onze mening (en ervaring) best goed uit. In ieder geval beter dan in Theth en daar gingen mensen op hun teenslippers naar boven. Toch maar erop wagen. En daar gingen we vol goede moed.

Een klein detail: het had geregend en het pad was gewoon een platgetrapt olifantenpaadje. Het ging zonder wandelschoenen, maar we moeten de meest fashionable wandelaars in de wijde omgeving en de complete Tatra zijn geweest.

Niet veel later kwamen we bij de waterval. De andere Slowaakse review die ons waarschuwde dat de waterval droog stond, kreeg ongelijk. Krotik wilde vooral slapen en vond het maar een hoop lawaai en wij hebben de eerste boswandeling er weer opzitten 💪

Dag 3 – Acclimatiseren (Námestovo, SK)

We zitten in een huisje met een zwembad en een speeltuintoestel. Zo’n ding met een klimwand, glijbaan, huisje en twee schommels. Op dit moment vindt Krotik het balkon meer dan prima, want zo’n grote box heeft hij thuis niet en de tegels voelen lekker warm aan doordat ze door de zon opgewarmd zijn.

We besluiten toch het zwembad uit te proberen. Het water zou rond de dertig graden moeten zijn, het bad ligt in de schaduw en we hebben per slot van rekening toch niet voor niets de zwemkleding meegenomen. De pater famolias gaat eerst en daarna komt het manneke in vol ornaat uitgedost met zwembroek, zwemshirt en zwemband. Ook al is het water dertig graden en heb je negen maanden in warm water baantjes getrokken (en deze man deed dat echt fanatiek). Niets kan je voorbereiden op wat er komen gaat, de volledige afgelopen zeven maanden flitsten voorbij, de achtbaan aan babyemoties kwam langs, we maakten ons klaar voor een hoop gemopper, en toen…

Grote ogen en een open mond. Verbazing over het drijven, verbazing dat hij door zijn band niet bij het water kon, verbazing over zijn eigen boeggolf, verbazing over waar pappa bleef als hij naar beneden ging, verbazing over waarom je de schuimrubberen zwembuis niet kunt opeten, verbazing over spetters die in je gezicht komen wanneer je toch op het water slaat. En toen was het klaar.

Gelukkig was er nog een babyschommel, het eerste boventandje, de koelkastdeur, en ook nog pappa’s overhemd, de Slowaakse kassamevrouw, de wielen van de wandelwagen, de Slowaakse tijdschriften om kapot te scheuren… Genoeg om nog te ontdekken

Dag 2 – Verwondering (Námestovo, SK)

1200 kilometer rijden met een baby. Dat klinkt als een van de twaalf werken van Herakles. Maar zelfs de luiers komen niet in de buurt van de Augiasstal. Het ging goed! Heel goed zelfs. Beter dan verwacht. De tussenstops zijn wat langer dan verwacht, maar zolang het speelgoed in volgorde van entertainmentniveau binnen handbereik ligt, kunnen we gewoon doorrijden. Alleen de zon is irritant en warm en niet te vermijden wanneer je wegkijkt en fel en vooral vervelend wanneer je je allerlaatste middagdutje graag wil slapen. Gelukkig hoefden we toen nog maar een uurtje te rijden…

De tussenstop in Wroclaw herkenden we nog van najaar 2023. Toen zaten we met een goede reden om tien uur ‘s morgens bij de MacDonalds voor wat hamburgers na vijf uur rijden. Nu zaten we er voor een lunch en het rekken en strekken van ons jongste meneertje. Veel mensen ten oosten van Berlijn zijn in het openbaar wat stugger. Een baby doet echter wonderen. De kleine kapitein liet minimaal drie Poolse babunia’s smelten en zelfs een norse man begon met zijn bril te spelen en geluidjes te maken om Krotiks aandacht te trekken. De Slowaakse Hells Angels die nu onze tijdelijke buren zijn? Die zijn echt niet zo stoer wanneer het manneke weer langs geschoolslagd komt.

Het meest spannende van vandaag was misschien de niet bestaande afslag naar een tankstation die we namen. Hier liepen we weer eens tegen het feit aan dat de kaart en de werkelijkheid lang niet altijd overeenkomen. Gelukkig is de snelweg in Polen verder redelijk overzichtelijk en niet al te druk…

De wegen zitten hier sowieso vol verrassingen. Ergens aan de Poolse A4 staat een “Hollandse” molen (dat tussen aanhalingstekens is echt de Poolse naam). Nu is het niet meer dan een ruïne, maar in de negentiende eeuw hebben er twee molens naar Nederlandse architectuur in Polen gestaan. Eentje ervan is vrij goed langs te snelweg te zien. Voor de dapperen onder ons: op deze Poolse site is wat meer te vinden en staan foto’s.

Inmiddels zijn we aangekomen op onze eerste echte bestemming. De Autobahn en de oude Poolse tolpoortjes hebben plaatsgemaakt voor slingerende weggetjes met lintbebouwing die tegen de hellingen aangeplakt zit. Kinderen zwaaien hier weer naar auto’s, de weg delen we weer met fietsers, de lokale bevolking die te voet gaat en de onvermijdelijke wielrenners die de memo hebben gemist dat de Tour de France dit jaar in Frankrijk plaatsvindt. De velden zijn bossen, de rechte rivieren van Duitsland zijn kronkelende bergbeekjes geworden. We kijken uit op een stuwmeer en de Tatra. De gastvrouw heeft enorm haar best gedaan op het kinderbedje, de Slowaakse kinderboekjes en het kinderspeelgoed, maar Krotik ontdekt ondertussen het droogrek en de terrastegels. De vakantie kan beginnen.

Dag 1 – And so it began… (A50, NL)

Er zijn van die avonturen waarvan je de consequenties nog niet helemaal kunt overzien als je eraan begint. Dit is er zo eentje. Waar we vorig jaar nog convoi exceptionnel waren, voelen we ons nu Brinks Waardetransport. Het doel is dit jaar de Tatra. Bergen, oostelijker dan Berlijn, Slavische talen, wel een stuk rijden maar niet te ver weg. Er is namelijk dit keer een onvoorspelbare factor mee: ons Krotik.

Katwijk doet-ie goed, op sleeptouw met pappa mee het halve land door is ook geen probleem. 1200 kilometer rijden? Geen idee. De auto is tactisch ingepakt. Het eten is binnen handbereik, speelgoed dripfeeden we zodat de verveling niet al te hard kan toeslaan, het manneke is uitgeslapen en opgewekt, de tijdsplanning is zo, dat hij als het goed is een flink deel van de reis lekker tukt. Met goede moed en lichte huiver gaan we beginnen.

Dat beginnen had wel wat voeten in de aarde. Niet omdat er meer spullen meegaan en op vakantie gaan met z’n drieën gelijk staat aan de Grote Volksverhuizing die het einde van Rome inluidde, maar omdat we inmiddels gezelschap hebben van gevogelte en we zeer onvrijwillig opvang bieden aan ongewenste goudvissen die gekruisd lijken te zijn met hamerhaaien (hier hoeven we geen lintje voor). Gelukkig hebben we hele lieve buren en inmiddels een kippencam – geen grap.

Thuis laten we met een gerust hart achter. Op de achterbank wordt het alfabet geoefend.

Dag 17 – Error (thuis, NL)

Als u dit berichtje leest, zijn we weer thuis. Maar dat had nog best wat voeten in de aarde. Zeventien uur duurt lang wanneer er een waarschuwingslampje hysterisch in je dashboard oranje knippert.

Goed, nog eerst een laatste reflectie op Servië. De laatste keer dat we er waren was zeven jaar terug. Toen vroeg nog één vriend ons om bij een eventueel nieuw referendum over de EU en Servië weer tegen te stemmen (hij refereerde aan het Oekraïne-referendum) en de rest van de Servische vrienden mijmerden eigenlijk vooral over alle voordelen van een EU-lidmaatschap of men probeerde zelfs actief een Hongaars paspoort te regelen. Nu merk je aan alles dat er in zeven jaar veel kan gebeuren.

Normaal kun je in Oost-Europa geen kant opkijken zonder een Oekraïense vlag te zien. Hier zagen we voor het eerst sinds lange tijd trotse Russische vlaggen wapperen. Op verschillende plekken spraken Serven hun steun aan Rusland uit. Hier zagen we ook voor het eerst in lange tijd weer tankstations van Lukoil en Gazprom. In Belgrado hing over railingen van verschillende viaducten een spandoek met de slogan “Servië is geen volk dat genocide heeft gepleegd”. En de snelwegen die in 2017 nog niet bestonden? Zonder uitzondering Chinees. Servië heeft de afslag weg van de EU genomen. En om het nog complexer te maken: omdat Servië warme banden met Rusland heeft, geldt er een gunstig visumregime voor Russen. Die Rus die we in Uvac tegenkwamen? Gevlucht voor de mobilisatie en tegen de oorlog. En hij is niet de enige.

En toch is het ook ‘goed’ of ontnuchterend om dit te zien en te ervaren. Niet omdat we het ermee eens zijn, maar omdat Servië een unieke en ongefilterde inkijk geeft in de overtuigingen van de andere kant die we – eerlijk is eerlijk – maar weinig horen in Nederland, maar die in de rest van de wereld niet zo omstreden zijn als we eigenlijk hopen. En hier wordt zichtbaar wat er gebeurt als je niet pro-EU bent: China (en Rusland ook) vult het gat met alle liefde.

En de gewone Serven die we spraken? Die klagen nog steeds over de uitdagende leefomstandigheden in een land als Servië – hen lijkt het niet meer uit te maken wie er helpt verbetering in aan te brengen: EU of geen EU. Helpt het dan om een land als Servië te boycotten? We hebben niet de illusie dat onze komst naar een land als Servië het tegengif tegen politiek cynisme is, maar ik denk wel dat menselijk contact en oprechte interesse in de situatie van de ander een eerste broodnodige stap is in deze gepolariseerde wereld.

En voor iedereen die begint te twijfelen aan onze standpunt in de oorlog in Oekraïne: we hebben niet getankt bij Gazprom of Lukoil en voorlopig zullen we dat ook niet doen.


Het was intussen wel tijd om Servië te verlaten en weer terug te keren in onze pro-Oekraïnebubbel. Nog anderhalf uur kronkelweggetjes scheidde ons van kilometers smooth snelwegasfalt. En dat was het moment dat Szusza besloot dat het tijd was om aandacht te vragen voor haar vierwielaandrijving door middel van drie knipperende oranje lichtjes. Maar hé, met oranje mag je nog naar huis rijden. Toch? Het reed toch niet heel prettig.

Terwijl een van ons de voorwaarden van de pechhulp van onze autoverzekering ging uitzoeken, probeerde de ander Szusza uit te lezen. Maar Szusza liet zich niet lezen en hoewel onze pechhulp royaal is, was het idee dat je met je auto en al je bagage in Servië stond toch iets minder aantrekkelijk. We besloten door te rijden, want afhankelijk van wie je het vroeg, merkte je niet heel veel verschil in Szusza met of zonder oranje lichtjes.

Na de Kroatische-Servische grens was er nog maar een lampje over wat knipperde en als je de vierwielaandrijving in een andere stand zette, knipperde dat ook niet meer. Reden we alleen wel in lock in een niet echt off the road-situatie. Gelukkig hadden we heel Oostenrijk om te googelen wat wijsheid was in deze situatie.

En daar kwam een – sorry voor de slechte taalstijl in deze zin – polariserend beeld naar voren. Het ene kamp zag de oplossing in een paar keer voor- en achteruitrijden op een egale ondergrond. Het andere kamp oordeelde dat de auto minimaal total loss zou zijn als je nog een meter doorreed. Zeg maar neem-maar-een-paracetamol-thuisarts.nl vs. je hebt de laatste fase van kanker en je gaat dood; maakt niet uit dat je maar een snotneus hebt.

We besloten in Duitsland toch maar even het nummer van de pechhulpcentrale op te zoeken en eerst de twee garages waar we normaal naartoe gaan even te bellen. Garage nummer een dacht dat we ter plekke ons differentieel aan het kapotrijden waren, maar had geen ervaring met vierwielaandrijving. Garage nummer twee heeft er wel ervaring in en zei: “Irritant hè, dat lichtje? Maar zo lang je niet op de Autobahn rijdt, kan het niet zo heel veel kwaad. Kom dinsdag maar langs.” – terwijl wij in de zoveelste Baustelle-file op de Autobahn stonden… Maar als we geen snelheidsduiveltjes uithingen, moesten we het wel redden tot aan de garage in Nuland.

Intussen had Szusza besloten ook haar laatste knipperende lichtjeskeutel in te trekken en zonder alarmlichtjes reden we de Nederlandse grens weer over. * insert rundfunk met Duits accent: “Oh nee, toch niet” * Het lichtje knippert inmiddels toch weer. Szusza mag nog even een paar dagen bijkomen op de oprit, dinsdag gaat ze naar de dokter. Wij zijn in ieder geval heelhuids weer thuis. We gaan Szusza en de WordPressapp weer oplappen voor de volgende vakantie. Wie weet waar ze ons gaan brengen. Voor nu: ciao en dovidenja!

Dag 15 – Het schip in (Kusici, SRB)

We zitten in het westen van Servië en dat is een bergachtig gebied waar je in de winter zelfs kunt skiën. Niet alleen de rivier de Morava stroomt door deze regio, maar ook de rivier de Uvac drukt zijn stempel op het landschap hier en ik raad u aan even een kleine Google-sessie te starten. Dit is echt een ondergewaardeerde regio van de Balkan.

Hoog tijd dus om onvervalst de toerist uit te gaan hangen. Onze gastheer had ons een contact en een locatie gegeven waar we ons om tien uur moesten melden en dan konden we met een bootje mee de rivier op. We moesten zeggen dat we bij Nenad verbleven en alles zou goed komen.

Het werd een bijzondere dag.

Om een paar minuten voor tien waren we bij de locatie, een restaurantje. Het restaurantje was uitgestorven en eigenlijk alles om ons heen was leeg en stil. Alleen ergens in een hok hoorden we wat gerommel.

Uiteindelijk kwamen we een man tegen. We noemden de naam van Nenad en kregen toen een moeilijke blik terug. Het bootje bleek een halfuurtje voor onze komst te zijn vertrokken, maar waarschijnlijk zou om half twaalf de schipper nog een keertje varen. We konden we wachten in het restaurantje.

En plots was daar de vrouw van het restaurantje. Ze heette Slavica en haar naam klinkt even gezaghebbend als dat ze was. Of Gerard niet even kon helpen. Gerard verdween met Slavica en na een tijdje kwam Gerard weer terug met rakija en twee glaasjes. Hij had een koelkast moeten verplaatsen. Vervolgens kwam er nog baklava. Slavica beweerde dat de Turkse baklava alleen maar uit suiker bestond, die van haar was veel lekkerder en had nootjes. En daar was geen woord aan gelogen.

Het werd half twaalf en er kwam een bootje terug. De schipper zei echter dat hij nog niet ging varen. Hij wachtte nog op een groep en dan gingen we. Zou nog een kwartiertje duren.

Het werd twaalf uur. Slavica probeerde nog meer eten en drinken aan ons te slijten, maar wij waren er eigenlijk wel een beetje klaar mee. Het was namelijk ook nog steeds ruim dertig-plus graden, dus we besloten toch naar beneden naar het bootje te lopen en maar onze vaart af te dwingen door alvast in het bootje te gaan wachten.

Het duurde een kwartiertje en toen verschenen twee mensen. Ze wilden ook meevaren. We legden uit dat dat waarschijnlijk wel kon, maar dat wij eigenlijk ook niet wisten of en wanneer dat dat dan zou gaan gebeuren. Na een minuut of tien had de man van het stel weten te achterhalen dat de groep er echt bijna aankwam en dat het bootje dan zou gaan.

Het werd kwart voor een, het werd een uur…

En toen verscheen er hoog in de bergen een bus. De bus stopte uiteraard niet bij het bootje, dus een hele groep met mensen stroomde uit de bus en zwermde vervolgens de helling af en kwam aandruppelen bij de bootjes. Na ruim drie uur wachten konden we vertrekken. Jeejj!

Wat u alleen niet weet, maar wij al vrij snel ervaarden, was dat dit een groepsuitje was. En het was het docentenkorps van een middelbare school in Novi Pazar. Hoe je dan zo te laat kunt komen is ons een raadsel (check wederom Google), maar het aantal decibellen dat deze docenten bij elkaar produceerden was nog indrukwekkender. Daar gingen we het natuurgebied van de Uvac-rivier in.

Wat doen docenten zonder leerlingen? Die gaan zelf de leerling uithangen. Drie bootjes docenten, twee andere toeristen en wij zigzagden door de meanders van de Uvac. De schipper was allang blij dat hij eindelijk een groep Serven had tegen wie hij zijn sterke verhalen kon ophangen en die niet sceptisch of onbegrijpend terugkeken, dus het werd al gauw een opboksen van de mannetjes op de boot. De vrouwen hadden het vooral reuzegezellig en maakten de ene selfie na de andere – alles onder het genot van een hoeveelheid sigaretten waar de Nederlandse tabakslobby jaloers van zou worden.

Onderdeel van de trip was een bezoek aan de ijsgrot. Je verwacht het niet met zo’n naam, maar toch had een flink deel van de groep geen warme trui meegenomen. Het leek wel alsof het fenomeen puber niets leeftijdsgerelateerds is, maar dat het een verplichte rol is die een groep in een schoolcontext moet aannemen. Bij gebrek aan tieners wordt de groep docenten dan de groep mensen met een prefrontale cortext in ontwikkeling.

Wij zijn dus in 2017 ook in een grot in Servië geweest. De gids die we daar hadden was het type wat je in Rusland ook in musea tegenkomt: onbetwiste experttsarina in haar domein die geen tegenspraak duldt en die een air uitstraalt waardoor je je meteen nederig en intens gelukkig voelt dat je het voorrecht mag genieten dat je je in haar aanwezigheid mag laven aan haar kennis.

Goed, de Servische grotdame was duidelijk en onverbiddelijk: absolute stilte en geen flistlicht, want dat ontregelde de vleermuizen. Een ieder die dit wel waagde was ze in staat achter te laten in de grot. Je durfde niet eens naast het pad te kijken, want je wilde niet de verdenking op nemen dat je het waagde te overwegen aan iets anders te denken dan haar verhaal en de ware weg die zij ons voorging. Aan het eind van de tour moesten we verplicht een kwartier acclimatiseren en pas als zij er absoluut van overtuigd was dat we niet direct door het temperatuursverschil van ons graatje gingen buiten de grot, mochten we vertrekken.

Dat was 2017 en dat was ook een andere gids. Onze schipper in 2024 was ook de gids en hij had wat te bewijzen. We gingen de ijsgrot in die zijn naam eer aan deed. De grot was koud en vochtig en de stalactieten en stalagmieten ontstonden ter plekke. Er was een pad, maar waarom zou je daarop lopen? Het is niet alsof er naast dat pad geen glibberige en bijna aangevroren rotsen waren ofzo. En vleermuizen zullen er ook wel niet meer leven, want de herrie die de docenten in de bootjes maakten, werd er absoluut niet minder op in de echoput die de grot was. Toen de gids mensen uit de groep uitnodigde om water te drinken (“is twee miljard jaar oud!”) en vooral de stalagmieten te beklimmen voor de perfecte foto’s keken de twee andere toeristen en wij elkaar lichtelijk verbijsterd aan. Het andere stel kwam uit Rusland en had net als wij minimaal Russische museumtaferelen verwacht in deze grot.

Met zaklampen en luid kirrend ging de groep verder. Het pad stopte, maar niet volgens de gids. Een kleine klautertocht volgde nog tussen nauwe gangetjes en over gladde stenen. Voor ons was dit wel genoeg – tot ongeloof van de gids die in eerste instantie dacht dat wij hem niet begrepen hadden. Voor de groep was het ook genoeg, we gingen terug naar de bootjes. Maar niet voordat minimaal een handvol mensen nog even in de ongeventileerde grot een sigaret had opgestoken. Het was natuurlijk al weer veel te lang geleden na de laatste.

Op onze weg naar buiten zagen we dat iemand zelfs zijn verse sigaret verloren was, maar iedereen had haast om weer terug te komen in de warmte. Niks acclimatiseren, de gids kreeg ongeduld. En geef hem eens ongelijk: het was vier uur toen we wegreden van de Uvac. De boottocht zelf was ook met meer dan anderhalf uur uitgelopen. Sec bekeken hebben we waarschijnlijk meer waar voor ons geld gehad dan wanneer de vroege boottocht op ons had gewacht, maar “alles wordt geregeld” was wel het understatement van de dag.

Dag 14 – BBQ-weer (Kusici, SRB)

Tsja, de afstraffing. Die kwam er, maar niet in de vorm van spierpijn of rugpijn. U raadt het nooit. Het is hier 36 graden en ik ben snot- en snotverkouden. Gelukkig zat het hoogtepunt van de verkoudheid op de twee dagen dat we in de auto zaten.

Van San Boldo naar Belgrado is het een uur of acht rijden en heb je een temperatuursverschil van ongeveer 12 graden. De vorige keer dat we in Servië waren hebben we ook wat ervaring opgedaan met hitte. Grote les: hitte is no joke.

In 2017 waren we in Servië. Er heerste een officiële hittegolf op de Balkan. We waren al vrij naïef door Boedapest heen geslenterd met 42 graden onszelf afvragend waarom we door deze hitte ons toch zo lamgeslagen voelden. Toen moest Servië nog komen.

Onze gastheer bleek tijdens ons verblijf opgenomen te zijn met een heatstroke en was er op de dag van ons vertrek nog steeds goed beroerd en onder de indruk van. Toen hadden wij al met onze Lada zonder airco een autoritje door West Morava gereden. Die dag was het 47 graden en we kwamen redelijk afgedraaid en gaar terug in Pancevo.

De grensovergang tussen Kroatië en Servië werd ons echt bijna fataal. Door een samenloop van omstandigheden kwamen we op het heetst van de dag aan bij de file voor de grensovergang. Die dag ging ook heel vakantieminnend Turkije in de auto terug naar West-Europa. En dat waren over het algemeen dikke, warme, zwarte auto’s die stationair de airco aan hadden. In die schaduwloze oven stonden we te wachten en te koken. Ons drinken was lauw tot warm. De paspoorten boden slechts een beetje wind als je wapperde, maar het wapperen zelf vroeg eigenlijk al te veel. Het was kortom echt afzien en er zat denk ik maar een paar uur tussen het verhaal van onze gastheer en wij in die file. Dus wij voelden ons steeds beroerder worden. De douane durfde nog te vragen of er iemand in onze kofferbak verstopt zat. Die gesmokkelde had die uren in de gril van onze Lada met geen mogelijkheid overleefd. Eenmaal in Kroatië gaven de matrixborden elke paar kilometer aan dat de temperatuur daalde. Bij 37 graden bij Zagreb voelden wij weer wat leven in ons terugvloeien. Sindsdien nemen we Serviërs die uitspraken doen over de hitte serieus. Heel serieus.

Een andere eigenschap van Servië is dat je met elke meter die je stijgt een meter dichter bij de zon komt. In San Boldo en bijna elke andere bergachtige streek betekent dat over het algemeen dat de temperatuur daalt. In Servië stijgt de temperatuur met je hoogtemeters mee. Was het in Belgrado nog 32 graden. In Cacak was het dan toch echt 36 graden. Het verschil met de vorige keer: de snelweg is nieuw en zolang we constant rijden, hebben we een airco die het redelijk doet.

In 2017 was het beste wat West Morava te bieden had de regionale weg. Daar kun je met de beste wil van de wereld niet vaker dan een keer 80 kilometer per uur rijden. Fast forward naar 2024: Servië is een stuk minder pro-Europa en de Chinezen hebben een economisch Belt & Road initiatief. Er ligt een splinternieuwe Chinese snelweg van Belgrado naar West Morava. Waar de heenreis in 2017 naar Morava al een uur of drie in beslag nam, is nu de complete reis vanaf Belgrado geplot op drie uur.

Gelijk doet zich daar dan een Cars-vraag op: mis je niet meer wanneer je via de snelweg rijdt. Dat is zeker zo, maar de snelweg is nog niet af. Dus het laatste anderhalf uur kronkelen we alsnog door de dorpjes richting ons huisje. De eigenaar appte ons de omineuze woorden: “Als je aankomt, doe de airco aan. Het is vandaag erg warm.” Dus…

Fijn vooruitzicht als je de Servische Dinarische Alpen ingaat met de voorgeschiedenis die wij met Servië hebben. Wij hielden dus rekening met 40 graden bij aankomst en dat we compleet gesmoord zouden zijn. Maar wonder boven worden daalde de temperatuur na Cacak. Goed, het is hier nog steeds 30 graden en het voelt alsof het inderdaad 40 graden is, maar dit is niet de 47 graden van de vorige keer. Een van ons twee is wel gesmoord. Maar dat kon volgens de nieuwe gastheer wel opgelost worden met rakija. Dat hielp als antibiotica wel tegen virussen…

Dag 12 – Ieniemienieboswandeling (San Boldo, I)

We hebben nog steeds ruzie met WordPress, dus wederom excuses voor de vertraging. Het lijkt hier de Deutsche Bahn wel.

Omdat we toch in de bergen zitten en het bloed kruipt waar het niet gaan kan, wagen we het er toch op: een boswandeling. Dit soort wandelingen zijn altijd een uiterste beproeving van de fysieke grenzen van onszelf en de relationele grenzen van ons allebei, maar we kunnen deze kwelling gewoon niet niet doen tijdens een vakantie. Dus de allerlaatste dag van San Boldo werd gewijd aan een boswandeling.

Volgens Alltrails een makkelijke trip van een kilometer of 4,5 waar je anderhalf uur over zou moeten doen. Ons werden fantastische panorama’s op een kleine doch kleurrijke rivierkloof van het stroompje Ardo beloofd. Voordeel van Alltrails: je ziet het hoogteprofiel van de route. En dat – kunnen we gerust stellen – heeft een van ons (of eigenlijk twee van ons) gered. Het zwaartepunt zou namelijk in de tweede helft van de wandeling zitten. Ongeveer 165 van de 165 meters zouden in de laatste kilometer verstopt zitten.

Dat kon beter: halverwege de route zou je namelijk ongeveer 100-120 meter dalen. Nogal een ongelijke verdeling als je het ons vroeg. En de route was een rondje. Dus besloten we de route tegengesteld te gaan lopen. Eerst veel afdalen, op de helft een deel stijgen en de laatste kilometer vlak.

Waarom vraagt u zich af? Er is een groeispurt gestart met alle gevolgen van dien. Dus vlak eindigen wanneer je al inspanning hebt geleverd, is een stuk prettiger dan afgepeigerd nog 165 meter naar boven klauteren. En hoewel het hier zeker geen dertig graden is, is het ook niet zo dat het weer niets van je vraagt: beetje plakkerig is het wel.

Daar begonnen we dan: aan het eind. Alle bordjes wezen onze kant op en wij eigenwijs daaraan voorbij stappen alsof we niet verkeerd liepen. Voor ons begon de afdaling en druppelsgewijs zagen we ploeterende wandelaars op ons afkomen die ons met een vertwijfelde blik aankeken. Wij deden alsof we gek waren en liepen stoïcijns door.

Op het laagste punt kwamen we de Ardo tegen. Mooi uitzicht, maar nog geen kloof met alle kleuren van de regenboog. Dus wij hadden het gevoel dat het beste nog moest komen. Tegelijkertijd hadden we door de afdaling ook wel een idee gekregen hoever het weer omhoog was en dat idee was best… ontmoedigend? We besloten het er nog even van te nemen bij de doorwaadbare plaats van de Ardo, zodat we alle moed die er maar was voor de tweede helft bij elkaar verzameld hadden.

Daar gingen we dan. Tien meter hoger kwamen we inderdaad bij de kloof en al haar lagen en kleuren. Magnifiek was het zeker en het was het toekomstige afzien meer dan waard. Maar goed, die stijging van dan geen 165, maar 120 meter was nog steeds indrukwekkend. Die 120 meter gaat namelijk niet over een afstand Nijmegen-Maastricht omhoog, maar over een halve tot een hele kilometer.

Maar wat het grote verschil was van de echte route en onze route: de anderen moesten stijgen op een bospad met losse stenen en modder. Een groot deel van onze stijging bleek uit een vrij nieuw aangelegde trap te bestaan. Ik moet bekennen toch wel een lichte voorkeur te hebben.

Na 3,5 kilometer stond alles dichterbij de aarde dan mijn ribben in de fik, maar we hadden de hoogtemeters ruim achter de rug en de Ardo is een prachtige stroom. De laatste kilometer liepen we over asfalt (kom op, dit is eigenlijk geen boswandeling meer) naar de auto. Geen dertig graden, maar wel snakkend naar een waterijsje. We zijn benieuwd naar de afstraffing die we morgen zullen moeten ondergaan.

Dag 10 – Hot as hell (San Boldo, I)

De vorige keer dat we hier zaten, zijn we naar Venetië geweest. Dit ligt niet zo heel ver hiervandaan en zodra je de pas overwonnen hebt, rijdt het prima door op de laagvlakte. De vorige keer was het ook coronatijd. En hoewel Venetië een beetje underwhelmde, gaat het nooit meer zo goed worden als toen. Er zullen altijd een te veel aan meer toeristen zijn dan toen. Want als u Venetië ooit wil bezoeken: doe het op een moment dat de stad uitgestorven is en je alleen het lege hulsel aantreft. Anders is het dubbel niet leuk.

Dus nu moesten we een andere stad kiezen en dat werd Padua. Wikipedia had me al overtuigd met de vele galerijen die de stad schijnt te kennen en een mega-crappy vertaling van de pagina van Padua op Wikivoyage deed de rest – meer overtuiging heeft een mens in het leven niet nodig. Ik bedoel: “Enrico liet de kapel bouwen in het stemrecht van de ziel van zijn vader, bankier en woekeraar die tijdens zijn leven verschillende zonden had begaan om door Dante te worden geplaatst in de Inferno van de Goddelijke Komedie.” Wat doen we nog in San Boldo?

Ook hier hebben we weer een groene, tolvrije, route gepakt en de Piave stelde niet teleur. Anderhalf uur later waren we in Padua. Wij waren inmiddels al volledig geacclimatiseerd aan het gure klimaat van San Boldo, maar hier was het dertig graden met een aangenaam windje die voorkwam dat het een Napelservaring werd. Beter kon niet.

Padua zelf was zo rustig, dat het bijna leek alsof we op een verlaten filmset liepen. Dichter naar het centrum troffen we iets meer mensen aan, maar het mocht geen naam hebben. Er kwam een groep Italianen voorbij die een rondleiding kreeg waarbij achteraan de groep uiteraard een paar Italianen het veel gezelliger met elkaar hadden tot ieders grote irritatie en tot nog grotere irritatie van de gids constant te lang achterbleven en bij de les geroepen moesten worden. Maar dat was het toeristische hoogtepunt dan wel. Toch is Padua ingesteld op buitenlanders, want zelfs in Venetië konden we niet zo goed met Engels terecht.

Na de botanische tuinen, was het dan toch tijd voor die kapel met stemrecht. En die kapel heet de Cappella degli Scrovegni. Aan de buitenkant een uitermate saai en onbijzonder gebouw, aan de binnenkant een kleurexplosie en artistiek hoogtepunt uit 1303. Na een kwartier acclimatiseren (echt waar) en een paar verplichte filmpjes kijken waarbij iedereen uit de groep afgehaakt was na de zoveelste aankondiging van de sponsoring van de plaatselijke Rotary Club, mochten we naar binnen. Van tevoren wisten we dat het een halfuur zou duren en dat leek me lang omdat de kapel niet heel groot is. Maar het bleek te kort. Met lichte dwang werden we weer naar buiten geveegd en liepen we langs de volgende afgehaakte groep die nog in het voorgeborchte moest uitzweten voor ze naar binnen mocht.

Voor ons was het klaar, in de donker via de saaie route reden we terug naar de 18 graden van San Boldo.

Dag 8 – Ongebaande wegen (San Boldo, I)

Ik loop wat achter met de blog en dat komt door ruzie met de WordPressapp. En het ligt uiteraard niet aan mijn oude telefoon of aan het slechte bereik hier. Echt niet. En het vakantiehumeur is ook nog intact.

* Vanaf hier start het gebruikelijke sarcasme weer *

Goed. Dag 8. We zijn dus goed aan het ontspannen en dat moet ook wel, want als we ergens naartoe willen, moeten we eerst voor een stoplicht wachten en vervolgens een pas met 18 kronkelbochten en claustrofobische tunnels door kruipen. En ben je niet snel genoeg, dan word je keihard afgestraft met nog een stoplicht halverwege de pas. Dus onthaasten is hier een basisingrediënt voor elke beweging die je hier doet.

Gelukkig kunnen we ook een andere kant op slingeren en dan duurt het even lang voor we op een fatsoenlijke weg komen. Dat hebben we dag 8 dus gedaan. En omdat een van ons convoi exceptionnel is, moet u dit maar zien als het alternatief van de boswandeling.

Bij de kaartenwinkel in Wenen was er uit de krochten een topografische wandelkaart van de Bellunesische Alpen opgedoken. En laat dat nu precies het gebied zijn waar we zitten. Kaart mee, route uitgestippeld. Voordeel van zulke kaarten is niet alleen het detailniveau, maar ook de groene lijntjes langs de wegen die scenic zijn. Dus reden we drie kwartier over een groene weg naar Agordo (wat onze navigatie alleen begreep wanneer je dat met een overdreven Italiaans accent uitsprak). Om in Agordo een plannetje voor de terugweg uit te stippelen.

We wisten van de vorige keer dat we een glimp van Lago del Mis hadden gezien en dat we dat erg mooi vonden. Klein dilemma: die weg had geen groen lijntje. Maar liep wel langs een rivier en de hoogtelijnen duidden op spectaculaire uitzichten. Dus toch maar die witte weg genomen.

Beste keuze van de vakantie tot nu toe!

Geen wielrenners (die waarschijnlijk aan de pasta zaten voor een wielerwedstrijd die de dag erna zou plaatsvinden), geen andere auto’s, geen lelijke brede weg. Fantastische panorama’s, een van de mooiste rivierkloven die we gezien hebben, na iedere bocht een bulderende waterval. Waarom dit geen scenic route was, weten we niet. Maar laten we het zo houden, want elke auto en fietser meer zou het alleen maar verpesten. Het meer was niet eens meer het hoogtepunt van de trip. Dit was perfect en dit was prima.