We zitten in een buitenwijk van Gdansk. Op zich geen probleem, want de bus stopt voor het hotel en de tram op tien minuten lopen. We hadden uitgezocht dat het het makkelijkst was om met de tram naar het centrum te reizen.
Gisteren kwamen we al een kaartjesautomaat tegen die we nog uitprobeerden om te zien of we dat ding begrepen en vanmorgen liepen we er nog langs, maar ja, die automaat stond bij de bushalte en wij wilden met de tram. Maar volgens een van ons twee was het allemaal deel van de beleving. En een beleving werd het.
Bij de tramhalte was namelijk nergens een automaat te bekennen en de qr-code die ons in het Pools verwees naar allerhande vage apps om kaartjes te kopen werkte ook niet optimaal. Al begrepen we inmiddels wel dat die automaat die we nog hadden getest eigenlijk ook bedoeld was voor de tram.
We hadden nog de stille hoop, een soort Amsterdamse toestand aan te treffen in de tram zodat we daar kaartjes konden kopen, maar helaas. Half zwart rijdend, half proberend kaartjes te fixen, zagen we halverwege de route buiten weer zo’n automaat staan. We zijn toch maar uitgestapt om analoog twee kaartjes te kopen.
De eerstvolgende tram die we geheel legaal namen, maakte nog geen twee haltes later een noodstop om er vervolgens helemaal mee te stoppen. De machinist mompelde in het Pools dat dit het eindpunt voor vandaag was en de hele tram liep leeg. Daar stonden we dan halverwege op weg naar de oude stad met kaartjes, zonder rijdende tram.
Weer een tram later kwamen we dan toch eindelijk aan in het centrum.
Gdansk is, net als iedere andere stad tussen het huidige Duitsland en het huidige Rusland, een keer of wat tussen minimaal vier machthebbers geswitcht. Daarnaast had de stad een belangrijke positie in de Hanzeliga, en dat zie je. Volgens de mevrouw die de onvermijdelijke stadstour aanbood, zouden we net Amsterdam zien als we naar de rivier liepen. Hoewel de stad bijna volledig opnieuw is opgebouwd na de Tweede Wereldoorlog, is de stijl onmiskenbaar Duits, Oostzeegothiek, Pools en Nederlands. Al viel het Amsterdamgehalte wel erg mee.
Qua toerisme is Gdansk nog niet echt ontdekt of we zijn een van de eersten die na de coronapandemie weer op vakantie gaan. Om ons heen hoorden we één Brit, een paar verdwaalde Duitsers, wij, een hoop Oekraïens en Russisch en verder vooral Pools.
Voor zover we Polen nog niet associeerden met de opvang van Oekraïense vluchtelingen, worden we er deze zomer alsnog sterk bij bepaald. Aan alles merk je dat de oorlog in Polen geen ondergesneeuwd nieuws is. Overal wapperen Poolse en Oekraïense vlaggen, nog veel meer dan in Nederland. Zelfs elke bus en tram zijn voorzien van een Pools en een Oekraïens vlaggetje. In Gdansk hoor je ook veel Russisch, wat vrijwel altijd Oekraïeners zijn. Daarnaast hebben we natuurlijk nog de zeer specifieke gastvrijheid van ons Poolse hotel. De enige Russische auto die we tot nu toe hebben gezien en die geparkeerd staat bij het hotel, heeft sinds vanmiddag een A4’tje op het nummerbord geplakt zitten: mag verkocht worden.
Polen is groot. Heel groot. Als je op de kaart kijkt lijkt het namelijk alsof Szczecin en Gdansk vlak bij elkaar liggen, maar er zit toch nog ruim 350 kilometer en daarmee vijf uur rijden tussen die twee steden.
Dit gebied is tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog van Duitsland geweest en dat is goed te zien aan de huizen en vooral de kerkjes. Hier en daar zie je het ook nog terug in de plaatsnamen, maar zelfs toen dit gebied Duits was werd hier een Slavische taal gesproken (en het Pruisisch was trouwens een broertje van het Lets en Litouws), dus de tweetalige bordjes zijn hier Pools en Kasjoebisch (wat dus een soort Pools is maar dan anders).
De route leidde ons door bossen en heuvels en Kolobrzeg, een dorp aan de Baltische zee. Aangezien het hier prachtig weer is met een graad of dertig, vonden we het een goed idee om vrijwillig een kijkje te nemen op het strand.
We probeerden de auto langs een hek op een privé-parkeerplaats te krijgen (dit was minder illegaal dan het klinkt). De parkeerbeheerder sprak alleen Pools, maar daar stond onze Szusza dan voor tien contante zloty’s per uur.
We liepen richting de zee en daar zagen we alles wat ons bang maakt: grote groepen mensen, grote groepen kinderen op kamp, een reuzenrad, een pier, meeuwen, mannen die wat te bewijzen hadden, hotels, mannen met net iets te weinig ervaring op een jetski, een lelijke boulevard en winkeltjes met ijs, opblaaseenhoorns, vliegers en suikerspinnen. Kortom, een mini-Odessa meets Knokke aan de Baltische Zee.
Gelukkig zijn de meeuwen hier wel opgevoed, want we konden rustig onze lunch opeten, ware het niet dat er bijna een vlieger op ons neerstortte. Ondertussen hadden we perfect uitzicht op een tafereel waarbij een meneer net iets voorbij de gele boeien in de zee stond waarop de reddingsbrigade met een soort voetbalfluitje en roeiend tegen de stroom in de meneer duidelijk probeerde te maken dat hij zich daar ab.so.luut niet mocht bevinden (de zee kwam daar tot heuphoogte). Meneer, geheel niet onder de indruk van de reddingsbrigade, bleef lekker staan waar hij stond met als gevolg het uitrukken van de complete reddingsbrigade. Een soort Baywatch intro-scene ontvouwde zich. Tegen de tijd dat ze de badgast bereikt hadden, stond hij alweer op het strand. We konden niet verstaan wat er gezegd werd, naar zelfs op de afstand dat wij zaten begrepen we vrij goed wat de boodschap was van de reddingswerkers: die meneer had zijn strandpunten voor de rest van de zomer verbruikt.
Dat we niet de enige met het briljante idee van het strand waren, bleek toen het thuisfront ons tipte om onderweg even langs Kolobrzeg te gaan. Dus bij dezen: het zand in Kolobrzeg ziet er hetzelfde uit als in Nederland.
Omdat corona voor een definitieve doorbraak van pinnen heeft gezorgd, hadden we geen cash zloty’s bij ons, dus hebben we met het kleinste briefje uit de pinautomaat ons parkeergeld betaald. Vergelijk het met een briefje van twintig euro, waarmee je iets van twee euro betaalt. Met een gelaten zucht regelde de parkeerbeheerder het wisselgeld.
In Gdansk zitten we in een hotel dat een zeer specifiek deurbeleid erop nahoudt: als je Rus bent, mag je alleen naar binnen wanneer je geen fascist bent. Het briefje (in het Russisch) dat dat uitlegt werkt ook echt volgens de verder zeer inschikkelijke en ontzettend aardige hotelier (“ja, ik had wat Russische toeristen die boos wegliepen”).
Behalve tips over je politieke overtuiging, krijg je hier van de hotelbaas ook geheel onbaatzuchtig de tip om niet van het ontbijt van zijn eigen hotel gebruik te maken maar van de bakker om de hoek die hij zelf ook bezoekt voor zijn eten. Dat klinkt als iets wat we dan maar vooral moeten doen.
Waarde gasten uit Rusland, als je een Russische fascist bent of de politiek van Poetin ondersteunt, hebben we een verzoek: loop naar de ***, en snel een beetje. Voor jullie is in dit hotel geen plaats en zal er ook nooit plaatszijn. Royal Hotel
Gisterenavond hadden we dus het concert van Coldplay. Een beste show waar zowel generatie Z als de boomers voor ons losgingen (uitgezonderd mevrouw boomer, want die moest geloof ik mee en zat de hele avond op haar telefoon).
Vraagje tussendoor: hoe lang deden we over de heenweg naar Brussel (is in een eerdere blog terug te vinden)? Hou dat antwoord even vast.
Na het concert had de Belgische politie met ondoorgrondelijke logica het bericht verspreid dat je via de Halte van Aankomst terug moest reizen, maar had die Halte van Aankomst vanwege het concert afgesloten. Een vol stadion ging vervolgens richting de Andere Halte die uiteraard de drukte niet kon verwerken. Je verwacht het als halte liggend naast een stadion ook niet.
Wij en een fractie van het stadionpubliek hadden onszelf uiteindelijk in een metro gekregen, begeleid door én politie én beveiliging die waarschijnlijk dachten dat Coldplayconcertgangers hooligans zijn. Rond een uur of twaalf kwamen we aan op Brussel-Zuid waar een nachttrein klaarstond naar Verviers. Deze zou om kwart voor een vertrekken.
Zou. Om kwart voor twee stamelde een conducteur door een krakende lijn dat ze nog even wachtten op een metro met het andere gedeelte van het stadionpubliek. Het werd kwart over twee en er ploften twee aardige Vlamingen uit Leuven naast ons (waarvan er eentje de volgende dag – of eigenlijk diezelfde ochtend nog – moest gaan werken). En om half drie vond de machinist het wel tijd om te gaan vertrekken. Om kwart over vier lagen wij in ons bed, maar moest de bus voor concertgangers van Verviers terug naar Aken met een significante groep passagiers nog vertrekken. En om tien uur mochten we uitchecken.
Het doel was om vandaag zo ver mogelijk richting Gdansk te geraken, en we zijn tot Szczecin (in Nederland ook bekend als Stettin) gekomen. We zijn weer in Oost-Europa, waar het knopje om te tanken eigenlijk een knopje is waarmee je een belletje laat rinkelen bij de pompstationhouder (nog sorry daarvoor! (we hadden het echt pas door toen er een dame op ons af gerend kwam)), waar vegan vegatarisch is en je hotel een rockmuseum met Poolse walk of fame lijkt in de kleur van het Vrijheidsbeeld, waar je gewoon 900+ kilometer rechtdoor moet en waar de sirenes van politieagenten die gewoon even moeten laten zien dat ze politie zijn je tegemoet janken. We zijn slechts een paar kilometer over de Duitse grens, maar we zijn terug.
Vandaag is dan de dag aangebroken dat we gaan doen wat ons naar België bracht: het concert van Coldplay.
Het concert is in Brussel, dus we zijn met de trein vanuit Verviers gegaan, een mooie route langs de Vesder (ja, die rivier die vorig jaar een hoop ellende veroorzaakte). Een klein anderhalf uur later waren we dan toch in Brussel.
Lopend door de stad hoorden we een hoop lawaai van het Marktplein komen. Dat is normaal een teken om weg te blijven, dus dat deden we vakkundig, tot we bij een terras allemaal mensen met bajonet zagen zitten. Een hele groep mensen, verkleed alsof ze de slag bij Waterloo gingen naspelen, zat op hun dooie akkertje alle tafeltjes van een crêperie te bevolken.
Dat was voor ons het signaal om toch even op dat Marktplein te gaan kijken en al lopende kwamen we meer en meer mensen in kostuums tegen.
Op het plein aangekomen, konden we nog net het staartje van het planten van de meiboom meekrijgen. Hier kwamen een hoop tradities bij elkaar.
Een snel onderzoek op Wikipedia leert dat het planten van de meiboom een traditie is die al eeuwen oud is. Ze wordt zowel in Nederland als België nog in ere gehouden, al maakten wij, kaaskoppen, er toch echt pas hier in Brussel kennis mee. In Brussel gaat dit gebruik terug tot 1213 en wordt er ook echt een boom geplant (voor vijf uur!).
Meibomen zijn niet overal echt bomen, vaak zijn het palen met linten en er hangt een zweem van rivaliteit omheen, want ze worden nogal eens gejat door een naburige plaats. De traditie in Brussel heeft ook te maken met wat onenigheid met Leuven, bijvoorbeeld.
Goed, die hele meipaal hebben we niet gezien, maar wel de reuzen. U moet inmiddels denken dat we iets te diep in een Belgisch vaatje hebben gekeken, maar er stonden zeker een stuk of zeven reuzen op het plein. Geheel volgens de Brusselse taalregels werd alles in het Frans en onverstaanbaar Nederlands aangekondigd, dus wat die reuzen precies op dat plein deden, weten we ook niet. Maar indrukwekkend was het zeker, we hadden namelijk te maken met onze eerste, echte reuzenommegang. En hier betaalde mijn Nederlandse leeslijst zich uit, ik herkende de reuzenommegang doordat ik ooit een kort verhaal heb gelezen over iemand die dus in zo’n reus zit en die kolos in de optocht moet laten rond dansen. Zwaar respect voor de mensen die in de poppen zaten, want het is hier toch een luttele dertig graden met veel zon en weinig wolk en wind.
We lieten de meiboom in augustus en lieten alle grote reuzen voor wat ze waren om ons in een volle metro te proppen. Inmiddels zitten we in het voorprogramma van ons concert – in de schaduw – te wachten op onze guilty pleasure.
Naschrift: inmiddels heb ik het verhaal over de reus gevonden: het is van Paul Snoek, een Vlaamse dichter en schrijver. Het korte verhaal heet de man in de reus. Geen Coldplay, maar hier London Grammar als aperatiefjeWe werden geacht met de trein te komen of in ieder geval op een zo duurzaam mogelijke manier. ‘t was wel 3:30 in de ochtend voordat we weer terug waren 😅
De trouwe en oplettende lezer van dit blog zal het opgevallen zijn: onze website lag er de laatste tijd veel uit en was lastig te bezoeken. Sinds gisteren kregen we ook niets meer geüpload. Sterker nog, we kwamen überhaupt niet meer op onze server. Dat was natuurlijk niet helemaal de bedoeling. Gelukkig zijn we halve IT’ers en zaten we ‘maar’ in België.
Niet exact wetend wat de oorzaak van de uitval was, zijn we toch maar eventjes richting huis gegaan. Toch een beetje spannend wanneer je niet meer bij je eigen spul kunt.
Bij het bliksembezoek aan thuis troffen we onze eigen Blégny aan: onze server was zelf een mijn geworden. En door de terril die een anonieme cryptominer veroorzaakte, klapten onze websites eruit en waren zo onbereikbaarder dan een weekkaart voor het Sint-Petersburgse OV.
Ik zou een heel dramatisch verhaal over de innerlijke hacker die in ons wakker werd kunnen beginnen, maar het was iets minder heroïsch: Google en troubleshooten, plus een paar keer opnieuw opstarten hebben het probleem verholpen. We beginnen voor de tweede keer aan onze vakantie; hopelijk alle mijnen even achter ons latend.
‘s avonds hebben we toch nog een beetje vakantie gevierd
Gerard heeft aan iedereen verteld dat we gaan kajakken en dat we met de trein naar Luxemburg gaan. Klein probleempje: met de trein doen we er drieënhalf uur enkele reis over en het is maar twintig graden. Geen kajak, geen Luxemburg. Maar we zitten in de buurt van iets anders wat al een jaar of zes naar ons roept: de mijn van Blégny.
Daar zit een verhaal aan vast. In 2016 gingen we voor het eerst samen naar Oost-Europa. Het was een groepsvakantie en omdat in ieder geval de helft van ons niet zo goed gaat op groepen, hadden we de vouwwagen van onze ouders geleend om nog een paar dagen rustig te kamperen in Zuid-Limburg. Zeer geslaagd idee, want sindsdien komen we erg graag in deze streek. Tijdens een wandeling liepen we naar de uitkijktoren van Mesch en zagen we terrils. Gerard wilde er graag naartoe en de avond voor we weer naar huis gingen, reden we op de bonnefooi richting zo’n berg. Het was even zoeken, maar we vonden er eentje. En dat was die van Blégny.
We liepen rond, beklommen de heuvel, het museum was dicht, maar we vonden dat we maar een keer terug moesten komen wanneer alles open was. Met de ondergaande zon reden we naar de camping om daar te ontdekken dat het ging regenen, dus hebben we toen als een jekko de vouwwagen opgeruimd en zijn rond middernacht naar huis gereden. (“Vanwaar die haast?” hoor ik u denken. Beeld je een vochtig opgevouwen tent in die je pas een jaar later weer opent.)
De keren erna dat we in Zuid-Limburg of de Ardennen waren, zaten we of een eind uit de richting of was er een pandemie. In februari van dit jaar, een dag nadat de regels zo goed als losgelaten waren, een week voor die inval in Oekraïne en in het weekend van de storm die ons schuurdak heeft meegenomen, zaten we weer in Zuid-Limburg. Dit keer met vrienden en we wilden wel naar die mijn waar Gerard niet over op kon houden. Mijn dicht.
En nu dus de perfecte omstandigheden om toch maar eens die mijn te bezoeken. Om drie uur konden we daar dan toch echt terecht.
We meldden ons klokslag drie uur bij het onthaal van de mijn, waar de gids net klaar was met een eerdere groep. Hij moest toch effe wat drinken, want je kreeg een droge keel van zoveel praten. Wij vermoedden een lichte variant van stoflongen.
Vijf over drie werden we dan toch echt geprept tot ware kompels. Met hemd en helm liepen we naar de lift. De gids stond op het punt iets te vertellen over de lift, die eruit zag alsof die bij het erfgoed hoorde wat we gingen bezoeken, maar hield zich in met de omineuze woorden: “dat vertel ik straks wel”.
In ons gezelschap waren een paar Belgen, een paar mensen die overduidelijk uit de regio ten noorden van Amsterdam kwamen, iemand uit Maastricht met een wat licht-panische kleinzoon en wij dus.
De gids kon heerlijk vertellen en betrok ook het jochie bij zijn verhaal. Die was op zijn beurt erg nieuwsgierig en stelde net iets te veel vragen. Het ventje was ook een beetje angstig. Vanaf het begin was het jochie al bang, vanwege de helm die hij op moest, want dat moest toch betekenen dat de mijn op z’n minst op het punt van instorten stond.
De gids kon er wel om lachen, totdat het ventje net iets te veel vroeg en toen begon de gids over T-Rex. Het manneke wilde weer naar boven. De gids vertelde toen zijn mooie verhaal over de lift: dat was vroeger gewoon een vrije val. Daarna zei hij dat hij dat ook niet meer boven de grond vertelde, omdat hij dan wel eens mensen had die dan niet meer naar beneden durfden.
T-Rex bleek een oude mijnboor te zijn en natuurlijk moest die even gedemonstreerd worden. Onze junior was er alleen niet helemaal op voorbereid. Het starten van de boor – wat an sich al een imposant geluid produceerde – werd vervolgens overstemd met loepzuivere, sopraanhoge C van een knulletje van bijna negen.
En alsof dat nog niet slapstick genoeg was, stond de jongen door zijn nieuwsgierigheid ongeveer op oorhoogte naast de gids, die op zijn hurken zat voor de boor. Afijn, u kunt zich vast inbeelden wie de meeste gehoorschade had na afloop.
We vervolgden onze weg naar de donkere diepte waar de gids en passant liet vallen dat daar de moeder van T-Rex stond. Dat kon onze kleine man niet waarderen, maar ook die moest even geshowd worden.
We gingen weer naar de lift naar boven. Tijdens de tocht omhoog naar het bovenste gedeelte van de mijntoren deed de gids zijn mooiste openbaring: hij had hoogtevrees dus hield even zijn ogen dicht. (Hij maakte geen grapje(!))
Geheel zen kwam de groep natuurlijk dan boven aan in een toren van een oude, gesloten mijn in België – not. Maar daar kwam dan het laatste gedeelte van de rondleiding. We vonden dat de gids wel wat vrijwillig en vrijblijvend drinkgeld had verdiend zoals het bordje aan het eind ons in mooi Waals Nederlands aanmoedigde, want voor hem zat het werk er nog niet op: het manneke dat al bijna naar groep zes ging was opa kwijt.
Zojuist zijn we recordlaat vertrokken voor vakantie: half vier in de middag. Er zijn zomers geweest dat we ook op dit tijdstip vertrokken, maar dan twaalf uur eerder op zo’n dag. Het komt allemaal door Coldplay. Coldplay is zo’n band als U2, als je een beetje mee wil doen met de goegemeente doe je alsof je een hekel hebt aan hun muziek, maar stiekem is hun muziek wel lekker luisterbaar. Dus wij gaan vrijwillig een hele avond naar ze luisteren. In Brussel.
Ligt alleen wel een beetje uit de route, dus verenigen we het nuttige met het aangename en hebben we een soort van pre-vakantie in de Ardennen. Maar dat wil niet zeggen dat we geen Oost-Europa-taferelen tegenkomen, getuige het reglement van onze Airbnb in Verviers: houd rekening met de buren, heb respect voor de katten en geen ander voedsel dan snacks.
Afijn, een beter begin is er niet.
Dit jaar geen Russisch, hoewel, in de Baltische staten woont een Russische minderheid. Nee, we zijn van plan om een bezoekje te brengen aan Scandinavië! En hé naar, we moeten dus door de Baltische staten 🙂
Een rondje rondom de Oostzee dus! We trappen af met een optreden van Coldplay in Brussel, kayakken in de Ardennen en vervolgens een ritje naar Gdansk.
We zoeken nog een titel trouwens! Deze ideeën hebben we:
De laatste dag is alweer aangebroken. Onze vlucht vertrekt pas om half zes ‘s avonds dus we hebben nog wat tijd. Omdat lopen niet echt een optie meer is, gaan we naar een museum. Uiteraard is het een museum over de Romeinen en het ligt ook nog eens tactisch bij station Termini wat weer handig is met het oog op onze naderende terugreis.
Het museum bevat een aantal fraaie oude beelden, mozaïeken en fresco’s. Hier staat ook voor iedere leerling Latijn een beroemd beeld van Augustus als priester en een meneer met een discus.
We drinken onze laatste ijskoffie op station Termini en langzaam zakken we af richting vliegveld Fiumicino.
Ruim op tijd checken we in, gaan we door de douane en eten we onze laatste maaltijd in Italië. Dag, goed eten.
Bij het inchecken groeten we nog de directeur van Centraal Beheer die hetzelfde goede idee had als wij en dat is dan de symbolische afsluiter van de conferentie waar het allemaal mee begon.
Eenmaal in het vliegtuig blijkt Gerard een eind naar achter te zitten en beland ik naast twee oudere Nederlanders die ook een stedentripje achter de rug hebben. Mevrouw ziet haar kans schoon om uitgebreid te gaan keuvelen en oerhollands te mopperen op het Engels van KLM, de zwartepietdiscussie die het sinterklaasfeest verpest (‘schaf het hele feest dan maar af’) en een Romeinse stadstour die haar nieuwe dingen beloofde maar dat niet deed. Gelukkig duurt zo’n vlucht maar twee uur…
Inmiddels rijden we in een ontprikkelende auto naar huis. Ondanks alle blaren, spierpijn en pijnlijke knieën kijken we terug op een paar geweldige dagen in Rome. De stad, het weer en het werk was alles meer dan waard. Wie weet waar het volgende avontuur ons brengt. Maar voor nu: arrivederci!
We zitten – tot enige onrust leidend bij het thuisfront – in een hotel aan de muur van het Vaticaan. Het werk vindt het goed als ik zondag terugvlieg in plaats van gisteren. Gerard is donderdag gearriveerd en zo hebben we nog twee dagen in Rome.
Rome is een loopbare stad. Als je geen kapotte voeten hebt. Van het Vaticaan lopen we via de Engelenburcht naar het oudere gedeelte. Wat eigenlijk nog steeds erg vaag is gezien de omvang van Rome sinds mensenheugenis. Maar we gaan over de Tiber dus naar het Pantheon en het Colosseum en alles wat zich daar tussenin bevindt en de leeftijd van 2000 tot 300 jaar heeft. (We laten het qua bouwstijl potsierlijke monument van Victor Emanuel II even achterwege)
Onderweg drinken we beiden een hip thee- en koffiedrankje waarvan de verkoper ons heeft overtuigd om er tapioca aan toe te voegen. Persoonlijk riep dit Kuifje-erlebnissen bij ons op, maar de verkoper probeerde het nog aantrekkelijker te maken door te zeggen dat het echt geen smaak heeft en een chewy bite geeft aan het drinken. De journalistieke geest van Kuifje heeft ons meer over de streep getrokken dan het verkooppraatje. Eenmaal tapioca ervaren bleek het verkooppraatje helaas de waarheid. Laten we het erop houden dat tapioca qua smaak inderdaad niet avontuurlijk is, maar als je niet weet wat er in je thee drijft en waar je op zit te kauwen is het wel degelijk een experience.
Het is stralend weer en bij het Pantheon eten we een pizza en – uiteraard – lasagne. U mag gokken bij wie welk gerecht hoort.
Na een wandel- c.q. strompeltocht naar het Colosseum en het Forum is het voor één paar voeten toch echt genoeg geweest. Zelfs de 250 meter naar de ijswinkel zijn nu een bijna niet te overwinnen hindernisbaan. Morgen zoeken we tactisch een museum op.