In het huisje waar we zitten ligt een boekje met de belangrijkste informatie. Hoe laat je moet uitchecken, welke dokter je moet bellen wanneer er een medisch noodgeval is en de meest interessante bezienswaardigheden uit de omgeving. Daar stond met ronkende zinnen een verhaal over Rio de Klin. U leest het goed: Rio de Klin. Deze naam is net zo Slavisch als die klinkt en is inderdaad schaamteloos geïnspireerd door het beroemdere broertje. Nu zitten wij ook aan het water, maar dat is zeker geen Atlantische Oceaan. Zelfs voor het stuwmeer dat het is zou het nog iets beter zijn best mogen doen.
Nee, Klin met zijn ongeveer 3000 inwoners voelt zich innig verbonden met de wereldstad Rio de Janeiro omdat er op een van de heuvels rondom het dorp een tandpastareclame-wit Christusbeeld staat. Het is zeker imposant als je ervoor staat, maar de beeltenis van onze Lieve Heer is in vergelijking met zijn Braziliaanse evenknie gereduceerd tot dwergachtige proporties.
En toch, het boekje in ons huisje raadt het aan om het te bezoeken, onze tijdelijke Slowaakse buren proberen ons ervan te overtuigen in hun beste Engels dat Rio de Klin echt de moeite waard is (“Best trip ever, we will visit it for the first time today”) en als klap op de vuurpijl de enige Nederlander die we in deze uithoek tegenkomen (“ik ben hier voor werk en ik woon in Weert”) geeft aan dat we toch niet weg kunnen gaan zonder langs Rio de Klin langs te gaan.
Dus we zijn gezwicht voor de toeristenlokker die niet te vermijden is, die omgeven is met een zweem van “goed geprobeerd, maar jammer joh” en daarom ons grote wantrouwen geniet: we zijn naar Rio de Klin geweest. We hadden wel afgesproken dat we zo ver mogelijk door zouden rijden met Szusza, want als we dan toch hiervoor vielen, dan ook maar goed fout.
We kwamen aan op wat leek de parkeerplaats voor het laatste wandelpad begon. De weg van het wandelpad was echter geasfalteerd en leek Szusza-proof. Dus we wilden doorrijden tot we wandelaars zagen. Hmm, toch maar niet en braaf parkeren. De parkeervlakte (want dat doet de plek betere eer aan) was van gravel met kuilen. Het wandelpad de eerste paar meter ook. Totdat we de bocht om waren.
Voor de context: we zitten in het noordelijkste puntje van Slowakije, in de Tatra. Een uithoek dus. Iedereen die erachter komt dat wij Nederlands zijn, vraagt of we hier zijn vanwege familie, want toeristen die hier vrijwillig komen en blijven zijn niet raar maar heeeeeeel bijzonder. Een aantal dorpen in de omgeving zien eruit alsof hun gloriedagen zelfs niet onder het communisme zijn begonnen en de Tatra zelf zorgt ook niet voor een heel gepolijste omgeving.
Maar op de weg naar Rio de Klin ligt een wandelpad van 600 meter met een gemiddeld hellingspercentage van 17% en dat is niet alleen maagdelijk geasfalteerd (hoewel een kat of een hond heeft geprobeerd dit te verpesten), maar er ligt een betonnen gootje naast en daar weer naast zijn vrijwilligers onkruid aan het wieden en plantjes aan het planten in een orde en precisie waar ik blij van word. Trump en iedereen die golft zou jaloers zijn op het megastrakke gras en kun je een soort bedevaart doen langs niet alleen de kruisweg van Christus, maar ook die van Maria.
En als je eenmaal boven bent, vind je er – naast nog een parkeerplaats – een kapel met een krans beelden van andere heiligen (met uiteraard die van de paus Johannes Paulus II die als enige recht tegenover het Christusbeeld staat in een intens devote houding). Er wordt alleen een euro per persoon gevraagd, zodat “we het hier nog mooier kunnen maken”. Waar zijn we beland? Ik ben nog nooit in Brazilië geweest, maar ik kan me toch niet voorstellen dat de echte Rio hieraan kan tippen.
En wat doet de gemiddelde Slowaak als je de top hebt bereikt? Als je vrouw bent, bid je in de kapel, als je man bent ga je aan de rand van het plateau staan en maak je selfies met het Christusbeeld, kinderen voetballen aan de voet van de Verlosser. En daarna ga je picknicken op die grasmat. Dit is natuurlijk je kans om waarschijnlijk insectvrij en moddervrij je zoete Marlenka op te eten.
En wij? Wij voelden bij het naar beneden lopen onze bovenbenen en spijt dat we niet waren doorgereden.
