


Reisblog Gerard & Tessa


Het mooie weer is op en dat was het teken om een eind te breien aan deze vakantie. Aquaplanend en met laaghangende zon reden we rustigaan naar huis.
We kijken terug op een vakantie die qua tempo nog nooit zo langzaam is gegaan. Corona bood ons een ‘unieke ervaring’ en Italië bracht ons een vleugje Oost-Europasfeer. We gaan de koffie en de lasagne missen.
Er zijn nog heel veel verhalen en foto’s, maar voor nu arrivederci.
Bijna had hier een foto gestaan van een zwembad en een cocktail of zo. Deze blog drijft toch een beetje op de verbazing van een Nederlander over alles wat niet Nederlands is. En eerlijk is eerlijk, Oostenrijk is gewoon te Nederlands voor deze blog. Zelfs het corobabeleid is even ondoorgrondelijk als in Nederland.
Maar toen gingen we avondeten. Een van ons twee heeft een kleine fetish met anti-herhaling dus we gingen ergens in Imst eten. Het werd Sakuro & Co, wat deed vermoeden dat het een Japans restaurant was.
De rit ernaartoe was er al eentje die voor verwarring zorgde aangezien we over een grauw en verlaten 9-tot-5-industrieterrein reden. Even dachten we zelfs dat we misschien bij een sushifabriek zouden uitkomen.
Maar na vijf rare rotondes (“u bent door naar de volgende rotonde” aldus de customized navigator) doemde een winkelcentrum op. Ook dit was allemaal dicht en verlaten. Maar in dat winkelcentrum zat dus ons restaurant.
Spookrijdend over het enorme verlaten parkeerterrein (wat ons gesein van een andere verdwaalde Oostenrijker opleverde) kwamen we uiteindelijk terecht bij een parkeergarage die wel open en toegankelijk was. Onze redenering was dat in die garage dan waarschijnlijk ook wel een ingang naar het winkelcentrum zou zijn die open was.
In die garage zat dan weer de complete jeugd op scooters van Imst te hangen. De sfeer was, eh, laten we zeggen: dynamisch. Het hielp niet dat we net daarvoor een gesprek hadden gehad over de Amsterdamse onderwereld…
Toen we eindelijk een deur naar het winkelcentrum hadden gevonden die wel open was, kwamen we in een uitgestorven centrum uit. Maar je voelde aan alles dat je niet alleen was. De winkels waren al dicht, alleen de eettentjes waren nog open, maar compleet leeg. Onze Oost-Europa-alarmbellen draaiden overuren en overtraden de Oostenrijkse Lärmschutz.
Het Japanse restaurant had een grote foto van de Chinese Muur aan de muur hangen. Dat had al een teken moeten zijn. Verder zagen we loempia’s (Vietnamees), curry (Thais), eend (Chinees) en giftig blauw kauwgomballenijs (eh…) liggen. Het enige wat Japans was, waren de gefrituurde sesamballetjes, de twee soorten sushi en sojasaus (en eigenlijk die ook niet, want die kwam uit – jawel – Sappemeer).
We bestelden ons drinken en verwachtten een uitleg van de ober over het niet-Japanse buffet. In plaats daarvan kregen we de vragen of we alleen wat kwamen drinken of ook wat kwamen eten. Dat laatste was het geval. Ons werd toen met een Oostenrijks gebrek aan uitleg eet smakelijk gewenst.
Langzaamaan trekken we terug naar het noorden. Maar om nog het optimale uit onze vrije dagen te halen, blijven we nog even in Imst.
Eerlijk gezegd hebben we al het boeiendste al gedaan. Dat waren de kabelbaan en de Alpine achtbaan. (We missen Oost-Europa!)
Het eerste was erg zen, het tweede was wat enerverender. Denk aan een rodelbaan op een rail. Ons was beloofd dat we maximaal 40 kilometer per uur zouden zien, maar iemand voor ons durfde niet zo hard en hield de boel nogal op…
Het nieuwe verblijf is weer erg leeg en rustig. We vragen ons af of we hier ook de volle mep voor betalen aangezien er een fantastisch uitzicht, een enorme kamer en een zwembad bij komt kijken.
Afijn, met het zwembad vermaken wij ons de laatste echte vakantiedag wel. Nog steeds zonder mondkapjes, want daar doen ze hier nog steeds niet echt aan…
Voordat het over vandaag gaat, moeten we even terug naar gisteren. We reden op weg naar ons avondeten langs een huis met een schuurtje. Niets bijzonders, ware het niet dat er uit het schuurtje uit elke kier enorm veel rook kwam. Twee oudere mensen liepen op weg richting de schuur dus vroegen we vanuit de auto voor de zekerheid of alles goed ging en of die rook hoorde. Ja, dat hoorde zo. Alles ging goed. Tutto bene! Wij reden verder en dachten er niet meer over na (het heeft de blog van gisteren niet eens gehaald…).
Vanmorgen brak de dag aan dat we San Boldo moesten verlaten. Een beetje weemoed hadden we wel (we hadden geen lokale prosecco meer gehaald). Maar ja, het was goed zo. De laatste luikjes gingen dicht. De koffers werden naar de auto gesleept en het karton nog weggegooid. En toen stond er ineens een Italiaanse meneer naast onze auto.
Hij legde in prachtig Italiaans uit dat wij hem gisteren hadden gezien bij het huis met heel veel rook. Die rook hoorde omdat ze vlees aan het roken waren. Met het draaien van het vlees kwam er veel rook vrij. Toch waardeerde hij onze bezorgdheid. Dus uit dank gaf hij ons een gekoelde fles prosecco. Hij wenste ons een goede terugreis en hoopte dat dit een goed aandenken aan onze mooie vakantie was. En toen was het nog maar tien uur ‘s morgens…
Het was nu echt tijd om nu het aardse San Boldoparadijs te verlaten. De reis voerde ons langs het intens blauwe Mismeer. Daar werden we nogmaals van ons geloof gebracht dat het slecht zou gaan met alles wat vleugeltjes en meer dan zes pootjes heeft. #stommewespen
Daarna volgde een lange slinger (of eigenlijk pendule) naar de Monte Lagazuoi (2151 meter). Tijdens die rit kwamen we tot de conclusie dat wielrennens het liefst hun leven wagen op een hoogte vanaf 1500 meter waar geen vangrails meer zijn en de weg erg smal is en wandelaars het liefst zich onverhoeds ophouden in haarspeldbochten op een hoogte onder de 1500 meter. Italianen zitten dan weer in de auto op elke hoogte en proberen in deze drukte toch nog koste wat kost in te halen (het liefst met een tegenligger in het zicht).
Al het sarcasme daargelaten. Op zich snappen we wel dat je op die plek wil wandelen en wielrennen. Het is er prachtig en er zijn trainingsmogelijkheden zat zullen we maar zeggen…
De weg kronkelde weer naar beneden en leidde naar Oostenrijk. De eerste afslag na de Brennerpas drukte onze neuzen op de willekeur van grenzen. Zoals Italië ons geleerd had, liepen we braaf met onze mondkapjes op ons avondeten tegemoet, klaar om al onze gevoelige persoonsgegevens achter te laten voor het geval dat, terwijl onze gastheer meteen heel droogjes zei dat ze hier in Oostenrijk geen mondkapjes gebruiken…
Het hotel waar we nu verblijven blaakt eveneens uit in zorgeloosheid. Waar we in Italië bij elk hotel een verhandeling krijgen over het belang van tracibility en hygiëne en de locatie van het ontbijt, hield onze gastvrouw in Oostenrijk het bij de kordate vraag of wij een kamer hadden besteld en als dat zo was hoe laat we wilden ontbijten. Kamernummer was vijf. Sleutel zat in de deur. Goedenavond.
We zijn weer veilig terug in San Boldo. Veilig is hier wel het noemen waard want op de terugweg van Venetië reden we onze bergen en pas tegemoet en daarmee een indrukwekkend onweer. Het weerlichtte zo sterk dat een machtig front van hoge bergen extreem clair-obscur oplichtte. De dashcamfilmpjes volgen nog (als ze gelukt zijn).
Toch schrok ons dat niet af van een flinke wandeling door diezelfde bergen. Officieel zitten we in de Pre-Alpen van Belluno. Voor ons huisje is een piek van 1196 meter, achter ons een piek van 1281 meter (de pas ligt op 706 meter tussen die toppen).
Die laatste top werd het. Ook omdat we volgens de route de pas mee zouden lopen. De pas hebben we inderdaad meegelopen, maar er zijn hier zoveel bomen dat we de pas niet hebben gezien (erg jammer, want google maar, het is een leuke pas).
Toen we de top bereikten was daar een kleine deceptie. De Italianen hebben namelijk hun prioriteiten al weer verschoven, dus in plaats van een schattig kruis stond daar namelijk een enorme zendmast…
Wat we wel daar op de top dan weer zagen liggen waren de Dolomieten, Belluno, de Piave en – onze stoutste verwachtingen overtreffend – Venetië…
De afdaling was lang en zelfs op onooglijke kleine wandelpaden heb je omleidingen over nog kleinere en onooglijkere paadjes. Goed, morgen hebben we spierpijn, maar de uitzichten waren het meer dan waard.




