Dag 6 – Wir sind wieder da (San Boldo, I)

Tsja, je hebt een dagje extra over in Wenen waar je voor de derde keer bent. Wat doe je dan? A) je parkeert jezelf in het beste koffietentje van Wenen; leve de koffiecultuur van de Oostenrijkers! B) je gaat naar een obscuur museum; ik bedoel: het Kunsthistorisch Museum is toch voor groentjes. Of C) je gaat naar een boekwinkel die gespecialiseerd is in kaarten en atlassen; die fetish moet toch gevoed worden.

Het werd alledrie. Inmiddels kennen we onze weg redelijk in Wenen en met kop en schouders boven alle andere tentjes steekt toch wel Haas & Haas. Hoewel Wenen een koffiecultuur heeft, is dit zaakje gespecialiseerd in thee. En die thee is goed! Zij zetten ‘m voor je zodat je niet hoeft te prutsen met een zandlopertje en de smaak is gewoon hoe thee hoort te zijn. Het uitzicht op de rustige achterkant van de Stephansdom maakt het helemaal af. Het is dat er nog iemand bij is, maar anders had een van ons twee daar pas met bedtijd weggegaan.

Maar Wenen kent ook veel musea en ook die kans moet natuurlijk uitgebuit worden. De ene helft van ons wordt blij van moderne kunst, de ander wordt daar chagrijnig van. Maar Wenen is nog niet uitgeput in musea, dus is er natuurlijk – u wist dit uiteraard al – een globemuseum. Say no more! Het tijdverdrijf van de ander was ook gevonden.

Een van ons had de tijd van haar leven in een zekere boekwinkel die op de route naar het globemuseum lag. En liet deze winkel nu toch gespecialiseerd zijn in kaarten en atlassen. Het globemuseum was al een paar honderd meter voor de locatie begonnen en heette Freytag & Berndt. Van wandelkaarten tot nautische en vluchtkaarten: u roept een categorie en ze hadden wel een vrij uitgebreide collectie met materiaal. Walhalla.

Verschillende medewerkers kwamen langs om te vragen of ik misschien hulp nodig had. Ik ga ervan uit dat ze me wilden helpen met kaarten uitzoeken, maar wellicht was er ook iets in mijn blik wat wat zorgen opriep.

We hadden na afloop afgesproken bij Café Landtman – tip van een Weense collega. Waar ene helft bijna tijd tekort had gehad, omschreef de andere helft het Albertina Modern licht beteuterd als een koortsdroom (“Ja, maar Tess, het was echt een eng museum”).

Afijn, er is nog genoeg om naar terug te willen in Wenen. Wij zijn ondertussen de volgende oude bekende aan het opzoeken: San Boldo. Geen tot matig bereik, spierpijn, beste lasagne evah en indrukwekkende bergpas: we komen eraan!

Dag 4 – Work hard, play hard (Wenen, A)

Sommigen van ons schrijven dus een vakantieblog, maar zijn gewoon aan het werk. Weliswaar in Wenen, maar toch.

Trouwe volgers van dit blog weten dat ik een keer eerder voor het werk in het buitenland ben geweest. Toen was een van de rode draden in die vijf dagen: vermoeidheid. En hoewel ik dit deel van mijn werk echt enorm waardeer en voor geen goud zou willen missen, is het echt flink aanpoten.

Drie keer per jaar komen vergelijkbare bedrijven als mijn werkgever bij elkaar op een expertise-onderwerp. En de werkgroep waar ik bij zit heeft data als focus. Een bijeenkomst start op dag 1 vlak voor de lunch en eindigt dag 2 net na de lunch. Dan denkt u waarschijnlijk: dan kun je laat beginnen. Allereerst gaat een deel van de ochtend op met reizen van het hotel naar het kantoor. Soms heb je daar even wat tijd voor nodig (ik kijk naar jou, Madrid en Stockholm). Soms ligt het om de hoek (well done, Wenen!). Daarnaast is het een gewone werkdag, dus de mail en alles gaat gewoon door. En dan is die ochtend toch heel handig en ook zo voorbij.

Vlak voor de lunch kom je bij het kantoor en begint de lunch: wellicht denkt u nu ook dat dit ontspannend is, maar hier komen twee uitdagingen om de hoek. Uitdaging nummer 1: het sociale gedeelte begint meteen. Dus bijpraten, inhoudelijk en sociaal (hoe was je reis, hoe is het afgelopen met die data-architect die wel erg ambitieus was, etc.). Uitdaging nummer 2: ik eet vegetarisch. De ene keer krijg je fantastisch eten, de andere breekt er paniek uit in de keuken en wordt er wanhopig en snel nog gewerkt aan een maaltijd speciaal voor mij (wordt wel ontzettend op prijs gesteld!). Overigens zijn de buitenlandse collega’s ontzettend attent, want vaak wordt er meerdere keren apart bij mij gecheckt of ik goed en voldoende eten heb. Dus aan goede zorgen geen gebrek.

En dan begint het feest. Van een uur ‘s middags tot een uur of half zes gaat het inhoudelijk over data, wet- en regelgeving, ethiek, analytics, uitdagingen, AI en ga zo maar door. En het is de bedoeling dat je meedoet. Dus vijf-en-half uur Friends kijken is intensief, maar prima te doen. Vijf-en-half uur zelf acteren in het Engels en interactie met het publiek vraagt toch wel wat van je brein.

Maar, hoor ik u zeggen, dan heb je de avond toch? Vaak hebben we een halfuurtje tot een uur voor onszelf en daarna begint het social dinner. Rond een uur of acht-half negen gaan we als groep avondeten en hoewel er meer ruimte voor privé-onderwerpen is, gaat het ook hier vaak verder over data. Overigens doet het bedrijf waar we zijn vaak ontzettend hun best om de stad waar we zijn van haar beste kant te laten zien. Inmiddels ben ik op plekken geweest waar ik anders echt nooit terecht was gekomen (soms vanwege de prijs, maar veel vaker omdat het echt inside information is). Alleen al vanwege de moeite die men erin stopt om dit te regelen, maakt dat je dit niet kunt skippen of dat je halverwege weggaat. En dat resulteert in een bedtijd van een uur of elf. Normaal geen probleem, maar na een dag als dit is dat toch wel een latertje. En dan heb ik nog het geluk dat ik niet drink…

De volgende ochtend word je dan weer om half negen verwacht op het kantoor. De tweede helft start nu en vaak ben ik niet de enige die deze helft vooral doorkomt op karakter of koffie. En nu klinkt het alsof het vooral vraagt en weinig oplevert, maar er is niets in mijn werk wat mij meer leert en inspireert dan deze dagen. Neem wet- en regelgeving: we kunnen het zelf allemaal verzinnen, maar als we onze kennis die in heel Europa zit combineren, komen we veel verder en al die verschillende invalshoeken, blikken, ervaringen verrijken het werk op een manier die niet mogelijk is wanneer je hetzelfde zou doen met Nederlandse collega’s die allemaal bij hetzelfde bedrijf werken.

Dus rond een uur of twee ‘s middags op dag 2 is batterijtje echt leeg, maar de komende maanden ben ik in mijn werk nog bezig met het op de juiste plekken brengen van wat ik heb geleerd en meegenomen. De impact van twee werkgroepen terug is nog steeds zichtbaar in ons werk en ook na de afgelopen keer hebben we erna nog meerdere keren afgesproken met Europese collega’s om verder van hen te leren en andersom. En dat geeft zoveel voldoening!

In Wenen is het voor nu klaar en normaal reis je dan of terug naar huis of je blijft net wat langer en reist wat later op de dag of de dag erna terug. Alleen dit keer is het anders: ik heb werkelijk iedereen uit de groep jaloers gemaakt. Mijn laptop en telefoon zijn uitgegaan: onze vakantie start nu en meneer De Mol kan er elk moment zijn.

Dag 2 – Wenen is een mooie stad, maar net iets te ver weg (Wenen, A)

U vraagt zich nu natuurlijk af of ik een beetje ongeschonden in Wenen ben aangekomen. Dat had wat meer voeten in de aarde dan verwacht. Mijn lichte vrees werd waarheid.

In Keulen had de trein 130 minuten vertraging. Zonder al te veel te verklappen kan ik u vertellen dat dit ruimschoots verdubbeld was toen we Wenen binnenreden.

Tegen de tijd dat we bij Frankfurt waren, was de vertraging al opgelopen tot 170 minuten. Dit had te maken met die mooie route langs de Rijn waar de trein niet hard mocht rijden en dat blokkerende treinstel.

In Frankfurt kwam een Nederlands koppel tegenover het gangpad van mij zitten (in de categorie: prima te doen) en een stel uit Australië. De Nederlanders waren in Frankfurt al klaar met de Deutsche Bahn, de Australiërs hadden een hele doos met vakantie-avonturen waarbij de Deutsche Bahn min of meer gereduceerd werd tot een hokje van de bingo vakantie-ellende dat nog aangekruist moest worden. De problemen met de Deutsche Bahn leek het stel al volledig ingecalculeerd te hebben als onderdeel van de reis die toch al uit hindernissen bestond.

De Aussies waren een koppel op leeftijd wat een maandenlange rondreis door Europa wilde maken. Op de heenweg was hun vlucht in Singapore gecanceld en in Parijs waren er ook al twee excursies om vage redenen vervallen. Ze waren nu op weg naar een cruise over de Donau. U weet wel, die rivier die nu voor veel ellende zorgt… De boot kon niet varen, zei de vrouw bijna stuiptrekkend van de lach, omdat er te veel water was. Ze vond dat idee hilarisch. Oorspronkelijk hadden zij eerder op de boot moeten stappen, maar nu gingen ze dan vanaf Regensburg. Toen we het koppel wat foto’s van het overschot aan water lieten zien, begreep de vrouw pas wat er echt aan de hand was en drong het tot haar door dat een teveel aan water ook een probleem kan zijn voor een boot en dat je in een andere categorie toerisme valt als je daar toch de Donau wil bekijken op dit moment.

Omdat ik water en eten had meegenomen voor een reis die om kwart voor negen ‘s avonds voorbij zou zijn, moest ik op een gegeven moment naar de restauratiewagon. Daar stond de Australiër ook en hij bestelde een koffie. Vervolgens begrepen hij en de barista elkaar niet en hielp ik met vertalen. Wat dat deed met de barista weet ik niet, maar hij bleef stug Duits praten tegen de man die hem niet begreep en begon Engels te praten tegen mij terwijl ik in het Duits antwoordde. We kwamen uiteindelijk allebei met respectievelijk een koffie en een pretzel + mineraalwater weer terug bij onze stoelen.

Alles leek min of meer voorspoedig te gaan en rond half acht appte ik naar Nederland: “Ik ben heel blij dat ik nu in de trein naar Wenen zit en dat ik niet meer hoef over te stappen.” Waarom ik dat deed weet ik niet. Zou ik denk ik de volgende keer ook niet meer doen.

Sommige dingen moet je namelijk ook niet uitlokken.

Om half negen, ergens tussen Nürnberg en Regensburg, hoorden we boven onze wagon een klap en vervolgens vloog er iets langs ons raam. Iedereen keek verontrust naar elkaar en er was een collectieve hoop dat de trein in ieder geval zou doorrijden na alles van vandaag. En even leek de trein ook gewoon door te rijden. Totdat ze dat niet meer deed. Daar stonden we dan ergens in een pre-Alpenwei en een bos.

Na een kwartier schalde er een “Meine Damen und Herren” door de luidsprekers. De trein had problemen met de elektriciteitsaanvoer en onze wagon dacht alleen maar: “No shit, Sherlock, vertel wat de consequenties zijn en ruk die pleister eraf.” Maar hier bleef het bij.

Weer een kwartier later riep het personeel rond dat deze trein niet verder kon. Er zou een andere trein naast de onze komen en de trein zou geëvacueerd worden. Ze wisten nog niet of die nieuwe trein naar Wenen zouden rijden. Nu werd de wagon een beetje moedeloos. Een jongen achter mij die geen Duits kon, maar overduidelijk aanvoelde dat het geen goed nieuws was, kwam met lichte paniek naar me toe: of ik wist wat er aan de hand was.

En toen begon het wachten. En het wachten. En het wachten. Uiteindelijk bleek dat onze trein met opnieuw opstarten het op een lagere snelheid wel zou halen tot aan Regensburg, daar zouden we horen hoe we dan in Wenen zouden komen. We waren op dat moment echt letterlijk halverwege Nürnberg en Regensburg, dus het kruiptempo naar Regensburg zorgde voor een extra vertraging on steroids.

En zo moest ik toch nog overstappen in Regensburg. Daar stond een andere trein die snel leeggeveegd werd van passagiers. Pas toen zij weg waren, gingen onze deuren open. We zaten weer op ons plek maar dan in die andere trein en overal lagen nog bekertjes, eten en krantjes. Dus wij vermoedden dat de trein een soort van plots geconfisqueerd is voor ons of zo. De Australiërs hadden Regensburg in ieder geval gered. De jongen die geen Duits kon en het Nederlandse koppel en ik gingen dan toch echt naar Wenen.

In plaats van kwart voor negen ‘s avonds, kwamen we om half twee ‘s nachts aan. Anderhalve zwerver en het nachtleven van Wenen keken ons aan alsof we van de maan waren gekomen en wij keken terug alsof we de zombie-apocalyps hadden overleefd. De taxichauffeurs waren de enige mensen die nog nuchter konden nadenken en grepen hun kans. Want wie wil er om half twee ‘s nachts nu nog met het ov naar zijn hotel? Ik had in ieder geval inmiddels die principes overboord gekieperd. Een ander overduidelijk Nederlands stel was standvastiger. Ik zag ze discussiëren met een chauffeur, stapte zelf in een taxi en zag ze vervolgens bozig een paar minuten later naar een vrij donker en dicht metrostation benen. Geen idee of zij bij hun hotel zijn geraakt met het ov, maar de taxi gaf hier ook niet per se die garantie, want door wegwerkzaamheden die de chauffeur probeerde te omzeilen naderden we het hotel in een soort spiraalroute. Scheldend kwam de chauffeur steeds dichterbij. Verontschuldigend voor zijn gedrag en de wegwerkzaamheden vroeg hij of we dit ook in Nederland hadden. Mijn inwendige censuurambtenaar kon nog net de zin onderscheppen dat we dat ook hadden, maar dat het Nederlandse ov wel een fatsoenlijk alternatief is. Het was inmiddels kwart over twee. Mijn Weense kussen kwam in zicht.

Dag 1 – Ga met de trein zeiden ze, dan zie je meer van de wereld zeiden ze ((doel) Wenen, A)

Het is weer zo ver: voor het werk mag Mrs De Mol naar het buitenland. Ditmaal is het Wenen. En aangezien Wenen ruim binnen berijdbare afstand ligt, werd het verzoek om met de trein te mogen ingewilligd en een erna opvolgende vakantie ook. Het voelde toch een beetje raar om een paar weken later zelf nog een keer naar Wenen te rijden en het dan als eerste tussenstop voor vakantie te hebben.

Als u denkt dat ik het goed voor elkaar heb: meneer De Mol zit al een week in Schotland voor het werk. Dus er is altijd baas boven baas.

En alsof timing niet al een rol speelde deze vakantie: iedereen die het nieuws heeft gevolgd en weet waar Wenen ligt, vraagt zich nu waarschijnlijk af hoe je daar in hemelsnaam komt met de ellende die Beiers noodweer en de Deutsche Bahn heten. Spoiler alert: ik weet het ook nog niet.

De dag begon voorspoedig. Pas om kwart over tien vertrok de trein vanaf Den Bosch naar Frankfurt. Ik kreeg nog een vraag over het feit dat ik graag zaterdag wilde vertrekken. Maar het argument dat ik een dag extra had wanneer de treinen niet zouden meewerken, was doorslaggevend. En daar stond ik dan braaf op zaterdagochtend op station Oss tussen alle dagjesmensen die Den Bosch gingen bezoeken.

We waren Brabant nog niet uit en vol optimisme appte ik De Ander van ons twee dat we dit wel vaker konden doen, want het beviel wel. Little did I know, want we waren koud in Limburg toen de trein afremde en besloot stil te staan in een weiland. Seinstoring. En men wist niet hoe lang het ging duren. En ook niet of de trein nog verder ging rijden na Keulen. De conductrice adviseerde om vooral even af te wachten, terwijl de overstaptijd in Frankfurt met de minuut afnam. Kalm vertelde ze dat er ook een kapot treinstel al twee dagen het traject tussen Venlo en Frankfurt blokkeerde en er waarschijnlijk nog zo’n 90 minuten aan vertraging bovenop kwam omdat ze moesten omrijden. Ik beschik niet over dezelfde kalmte als zij. Maar er was denk ik ook een verschil in belangen. Want exit overstap in Frankfurt.

Het werd half een en kruipend arriveerden we in Keulen. Inmiddels kende ik het complete reisschema van de Deutsche Bahn uit mijn hoofd en had ik gezien dat ik ook in Keulen kon overstappen op de trein die ik naar Wenen moest hebben en in Keulen zou die trein nog achter de trein van ons zitten. Ik was inmiddels wel in voor een gokje en stapte in Keulen uit. Officieel had ik op Keulen 20 minuten overstaptijden ten opzichte van de inmiddels -70 minuten in Frankfurt, dus dit leek het beste alternatief.

Het werd 12:50 en de trein naar Wenen kon toch elk moment komen. Een afgeladen perron keek bij ieder treingeluid verlangend op. Dit zijn van die momenten dat ik extreem dankbaar ben dat mijn talenknobbel ook een paar hersencellen Duits bevat. Want Engels, nee hoor. Verstaanbaar Engels via de omroep op het station: de Britten zitten niet meer in de EU dus waarom zou je. De app van de Deutsche Bahn besloot ook in informatiestaking te gaan en daar stonden we dan. Het was allang 12:50 geweest, de trein stond niet meer op de borden, er stond een massa bij de enige twee DB-medewerkers op het perron die behalve Duits ook Duits spraken en de trein die wel klaarstond, konden we niet in.

En dit is ook het moment dat ik het dan vooral fascinerend vind om te zien wat er met anderen gebeurt. Want dit was een internationale trein, dus op het perron stonden niet alleen Duitsers, maar ook veel Nederlanders en Britten.

Er was een plukje Nederlanders waarvan je dan denkt: oh nee, wij delen een nationaliteit. Zeg maar de categorie die met Heineken op het perron staan en dan schreeuwend een hitje van Guus Meeuwis gaan zingen (wat een van de twee DB-medewerkers subiet en doortastend afkapte met haar pinnige fluitje). Maar hetzelfde dacht ik bij de Nederlanders die even lekker assertief hun mening gingen geven aan die twee arme DB-medewerkers. Toen was ik echt blij dat ik in het Duits mijn vragen kan stellen.

De Duitsers begonnen vooral te mopperen. “Het was toch unmöglich. En dan krijg je alleen verontschuldigingen. Dit ging toch niet.” Beschaafd gedeelde verontwaardiging die niet in enige actie werd omgezet. Fantastisch om naast te zitten tijdens het wachten, want elke snipper informatie werd met een saamhorigheid waar wij nog wat van kunnen leren gedeeld met iedereen die er Duits uitzag of zich zo gedroeg ^^

En dan waren er nog de Britten. Waarschijnlijk gepokt en gemazeld door hun eigen treinthuissituatie die met een onverwoestbaar optimisme en een prettige gelatenheid zichzelf onzichtbaar in een hoek van het perron parkeerden en rustig wachtten tot de trein naar Wenen met 130 minuten vertraging dan toch eindelijk binnenkwam.

Ik zit dus inmiddels in een trein en tot dusver rijdt deze trein naar Wenen. Ik kom waarschijnlijk ergens rond middernacht aan in Oostenrijk, maar door de versperring tussen Venlo en Frankfurt heb ik zojuist het mooiste stukje treinspoor langs de Rijn gezien (die overigens enorm hoog staat). En ik kan alleen maar met een lichte angst afwachten op wat nog gaat komen, want het is nog een flink stuk Duitsland wat voor me ligt.

Mensen, we zijn enorm gezegend met de NS. Sommige dingen mis je pas als ze er niet meer zijn.

Dag 21 – Toegift: een ode aan Szusza (Thuis, NL)

Szusza ging ‘s zomers naar Theth
Maar ja, de weg was heel slecht
Kijk uit, pas toch op
We hoorden een plop
Nu heeft haar uitlaat een smet

“Het zou toch moeten gaan, hoor
‘t Is toch een sterke motor”
Maar een steen met een rand
Schraapte d’r onderkant
Nu klinkt Szusza dus heel schor

Tsja, daar reden we in Theth
‘t Was bijna uit met de pret
‘t Was leuk geprobeerd
Ten halve gekeerd
Gelukkig heeft ze ‘t gered

Mensen, leer van deze les
Ook al ging dit niet expres
Goede wegen zijn heel schaars
‘Zelfde weg t’rug is niets raars
Het scheelt gewoon een hoop stress

Dag 20 – Haiku (Annecy, F)

Muggenbetenjeuk

Souvenirtje uit Lucca

Ik was het eens niet


Inmiddels zijn we in Annecy. We zijn twee dagen verder en we voelen ons een stuk beter. Ook in Frankrijk is het warm, al is het hier in de bergen beter te doen. Een van ons twee heeft de voedselvergiftiging ingeruild voor een berg muggenbulten en ziet eruit alsof-ie de waterpokken heeft (en dit is niet de stijlvorm ‘overdrijving’).

Aan onze vakantie komt langzaam een eind. We slenteren nog wat door het oude centrum van Annecy, we drinken thee op een terras met een magnifiek uitzicht over het meer van Annecy en bij ons hotel is een klein marktje met worsten en wijnen waar we nog even langsgaan. We mijmeren over het komende jaar en wat dat ons gaat brengen, we kijken terug op drie fijne, maar warme weken.

In Krujë kwamen we langs een winkeltje dat honing verkocht. Een ouder echtpaar had schappen vol potjes staan en lieten trots de foto’s van hun bijenkorven en -kasten zien. Zij spraken geen Engels, wij geen Albanees, maar met wat handen en voeten en basaal Italiaans kwamen we een eind. Elke honingsoort moesten we proeven en de onvermijdelijke rakija uiteraard ook. De honing kwam in de buurt van de honing waar onze reis mee begon, die Oekraïense honing die nergens aan kan tippen. Vandaag is de Onafhankelijkheidsdag van Oekraïne. Hoe lang zou het duren voor we daar weer heen kunnen? Naar de zandstranden van Odessa, het Holenklooster in Kiev, de prachtige Karpaten en de Tisza. De Albanese honingmevrouw gaf ons honing mee en zei dat we tegen iedereen moesten vertellen dat ze langs moesten komen.

Morgen rijden we terug naar huis. Tegen de tijd dat we thuis zijn hebben we er zo’n 5500 tot 6000 kilometer opzitten. En hoewel Albanië zeker de moeite waard was, zou ik de oproep van de honingmevrouw nog wel verder willen brengen. Want Italië en Frankrijk zijn mooi, maar Polen, de Baltische staten, de Balkan en ook Oekraïne zijn prachtig en de mensen ontzettend aardig en gastvrij. Er is nog zoveel te ontdekken. Maar dat moet maar een volgende keer.

Dag 18 – Site Seeing (Lucca, I)

Natuurlijk kom ik er niet mee weg met maar drie alinea’s over de Baai van Napels. Dus hier is een iets uitgebreidere versie van de afgelopen dagen.

Op dag 16 gingen we naar Pompeï. We hadden een soort museumkaart waar ook OV in zat, maar we zouden anderhalf uur doen over een kilometer of 7 en Pompeï is groot, dus dat zou een hoop tijd kosten. We reden daarom met Szusza naar een parkeerplaats waar we haar in de schaduw achter konden laten. Dat was meteen de laatste schaduw van de dag, want vrijwel alles boven twee meter bestaat niet meer in Pompeï en ligt dus de hele dag in de zon te bakken.

De museumkaart zat in een app die verschrikkelijk traag was. Maar de kaart moest gescand worden en er was maar een balie waar dat kon. Daar kwamen we na drie balies achter, want in Italië zal de helft van de baliemensen je in onverstaanbaar Italiaans iets vertellen en de andere helft glimlacht er nog bij, maar verwijst je vervolgens verkeerd door.

Naast ons stond een Nederlands gezin wat zo mogelijk nog minder begreep van het baliepersoneel dan wij. “Printer, maar ik heb geen printer in Italië. Hoe moet ik een digitaal ticket op papier meenemen?” (inclusief Gooische r en zeurderige stem). Verwarring alom. Uiteindelijk duurde het te lang en werden ze binnengelaten. Daarna mochten ook wij dan eindelijk naar binnen.

We waren nog geen halfuur binnen of een van ons kreeg dus last van een milde voedselvergiftiging. En dan is Pompeï groot en warm en druk. Langzaam, vooral niet met te veel haast en van schaarse schaduw naar schaarse schaduw kruipend, baanden we ons een weg door het eeuwenoude stratenraster. Gelukkig hadden we paraplu’s bij ons, zodat we die als parasol konden gebruiken (bij dezen de gratis tip die je leven redt wanneer je in de zomer naar Pompeï gaat).

Rond een uur of drie werd het echt te warm en hadden we wel een goede indruk gekregen. Het was tijd om terug te gaan naar ons hotel en in de buurt van de airco en het toilet te blijven.

De dag erna waren dus Herculaneum en het Archeologisch Museum aan de beurt. En was het aan de andere helft van ons om zich beroerd te voelen. Wederom was het een warme dag met veel zon en weinig schaduw. Ditmaal gingen we wel met het ov, want zowel Herculaneum als het museum zijn kleiner dan Pompeï. Dus je hebt er minder tijd voor nodig.

De eerste uitdaging was een bushalte vinden waar de bus ook echt stopte. Die was er toch niet, dus liepen we naar het treinstation van Castellamare di Stabia. Die wandeling an sich was al voldoende om in de hitte te blijven. De totaal niet gekoelde trein hielp nog even verder mee. Maar Herculaneum, here we come!

Na een uurtje bakken in de trein kwamen we dan toch echt aan in het decadente villadorp dat Herculaneum eigenlijk is geweest. Minder mensen, meer fresco’s en mozaïeken. Als je ooit naar Pompeï gaat, sla dit dan niet over.

De zon scheen genadeloos door en de trein die ons naar Napels zou brengen lag een halfuurtje lopen verderop. En weer een stationnetje wat eigenlijk een oventje was. De trein was gelukkig wel koel, maar besloot er halverwege mee op te houden en met het dreigement van de conducteur dat we weer zouden eindigen in Castellamare di Stabia, stapten we toch maar uit dit paradijsje.

Daar stonden we dan aan de rand van Napels. Weer in die snikhete zon en nog niet eens in de buurt van het museum. Een kwartier verderop was de tramhalte waar de tram stopte die ons dan weer bij de metro zou brengen die ons dan weer naar het museum zou vervoeren. Heeft u nog scherp dat dus een van ons niet lekker was? Dit was een lange, lange dag.

Het museum is een imposant gebouw met hoge plafonds waar de warmte goed kan opstijgen en met ramen die je open kunt zetten zodat de airco zijn werking totaal verliest. Dus zo verkoelend als het museum had geleken was het ook weer niet.

De collectie was dan wel weer de moeite waard en inmiddels was het half acht ‘s avonds. Door de hittegolf ‘koelde het af’ tot dertig graden en we moesten nog met het fantastische Napelse OV weer terug. Inmiddels waren we op een punt aangekomen dat we zo gaar waren van de hitte en de buikklachten dat het vanaf hier eigenlijk meer overleven werd. Elke tegenslag, hoe klein ook, werd een uitdaging. Een pinautomaat die het niet doet, een halte missen, een taxi bellen zodat we de route van vanmorgen niet in omgekeerde richting bergop hoefden te lopen, een tas vergeten, het enige wat nog telde was de airco en het vooruitzicht van het bed.

Er komt een moment dat we hiernaar terugkijken en lachend onszelf afvragen waar we mee bezig waren, maar hoe erg het ook afzien was, het was de moeite waard.

Dag 17 – Kapot (Castellamare di Stabia, I)

Wat doe je als je in de buurt van Napels bent? Juist: dag 1 ga je naar Pompeï, dag 2 ga je naar Herculaneum en het Archeologisch Museum van Napels. Hier komt alles samen wat ik interessant vind: Latijn, geschiedenis, geologie, architectuur en kunst. En waar ik in Venetië een beetje underwhelmed was, stelt dit absoluut niet teleur.

Behalve het Italiaanse OV: bussen die niet stoppen, treinen die juist wel stoppen, trams die haltes voorbij rijden (waardoor we nieuwe Italiaanse scheldwoorden hebben geleerd). Het zou allemaal niet zo erg zijn als het geen 39 graden was en we allebei topfit zouden zijn (klein voedselvergiftigingetje, anyone?).

En wat is het nadeel van iets als Pompeï of Herculaneum? Dat vulkanen de neiging hebben om nogal heet te worden en alles te verwoesten wat boven het maaiveld uitsteekt. Dus het gebrek aan bomen en de nabijheid van de Vesuvius zorgen voor een allround uitleg van het begrip hittestress. Gewapend met paraplu werken we onze weg door de sites. We hebben lang nog niet alles gezien, maar des te meer reden om een andere keer terug te komen. In de herfst ofzo. En topfit.

Dag 15 – Contemplatie (Castellamare di Stabia, I)

Gewetensvraagje: rij je liever in het donker in Albanië waar de wegen goed zijn, maar je je auto stuk kunt rijden op een onverlichte paard en wagen? Of rij je liever in het donker in het zuiden van Italië, waar je geen paard en wagen tegenkomt op de provinciale weg, maar waar je wel je auto kunt stuk rijden op een kuil?

Afijn, we zijn in Zuid-Italië, want we konden geen genoeg krijgen van Albanië, dus blijkt ons hotel in Monteiasi in een dorp te staan wat bekend staat om zijn Albanese diaspora in Italië. En de diaspora reikt tot Henk de hagedis, want die kwam ons weer gedag zeggen in ons hotel.

Vandaag volgen we grotenendeels de route van de oude Via Appia richting Napels. In Castellamare di Stabia verblijven we nog een paar nachten, want een kinderdroom komt uit: we gaan naar Pompeï. We slapen bij – geen grap – bij de nonnen.

Dag 14 – Schuitje varen (Monteiasi, I)

Eigenlijk had dit stukje al gisterenavond op dit blog moeten staan, maar dat is evident niet gelukt.

Vanuit Albanië zijn we namelijk met de boot de Ionische Zee overgestoken vanuit Vlorë naar Brindisi. Een trip die deze boot ongeveer elke dag aflegt – al zou je dat niet zeggen en toch ook weer wel.

Bij de haven mochten we naar binnen, maar moesten we weer naar buiten voor het inchecken. Om 15:00 zou de boot vertrekken en vijf uur later zouden we dan in Italië aankomen. Zou. Rond een uur of twaalf hadden we ingecheckt, de ‘paspoortcontrole’ gehad en waren we de boot aan het oprijden toen een meneer in gebroken Engels vertelde dat alle bijrijders als voetgangers de boot op moesten. Vervolgens kwam er nog een meneer die wat van onze tickets scheurde die de chauffeur dan weer bij zich moest houden en daarna kwam er nog een meneer die de tickets scande. Maar we waren aan boord van onze zeeschuimer.

Een schip wat overduidelijk betere tijden had gekend. In Kroatië. Alles stond in het Kroatisch en ergens waren nog halfslachtige pogingen gedaan om dan in ieder geval de plattegrond naar iets niet-Kroatisch te vertalen. De bemanning riep iets rond in het Albanees en Italiaans.

Samen met ontzettend veel Italianen kon het wachten beginnen. Het werd 15:00, het werd 15:15, het werd 15:33 en we vertrokken.

Waar op de boot naar Finland de complete Finse passagiersgroep los ging op de karaoke en de goedkope drank en waar op de boot naar Engeland vooral de tax-free winkel voor entertainment zorgde, was er op deze boot niets. Geen winkel om belasting te ontwijken, geen entertainment, na een uur was het eten al op of niet om aan te gluren en over de toiletten hebben we het maar niet.

Maar de overtocht zou maar vijf uur duren, toch? Tot we op een kilometer of twintig van de haven van Brindisi strandden. Er werd eerst iets omgeroepen in het Italiaans – het Albanees was nu blijkbaar ook niet meer nodig. Daar dreven we dan. De kapitein vertelde uiteindelijk in onduidelijk Engels dat de haven van Brindisi vol was, dus dat we even moesten wachten tot er plek was. En dat was het. De veerboot die bijna dagelijks vanuit Albanië naar Brindisi voer had geen plek in de haven. Alsof je dat schip niet kon verwachten en ineens de haven overspoeld werd door honderden passagiers.

Uiteindelijk meerden we rond elf uur aan en om half twaalf ‘s avonds mochten we weer in de rij voor de paspoortcontrole. Benvenuto!